Kinderen over 'foute' ouders

Lettergrootte:    
Verzoening na jarenlange familiediscussies
“Wat goed dat pappie doodgegaan is,” zegt haar schoonmoeder tegen de drieëntwintigjarige Marijke Bruinsma op haar bruiloft. “Want anders had je er hier nooit ingekomen.” Niet een alledaagse zin die je op een huwelijksdag hoort, tenzij je vader een veroordeelde NSB’er en Grüne Polizist is en je schoonouders joods zijn.

Het is 1966 en de eenentwintigjarige Marijke besluit om naar een lezing van Erich Fromm te gaan in Amsterdam. Ze is erg geïnteresseerd in psychologie en de spreker is een befaamde Duits-Amerikaanse psycholoog en filosoof. “Ronald was daar ook,” vertelt ze met een dromerige blik in haar ogen. “Hij viel me gelijk op. En doordat we een vast clubje mensen hadden, dat werd uitgenodigd voor feestjes, bleven we elkaar tegenkomen.”

Albert Bruinsma
Van feestjes naar etentjes. De afspraakjes worden steeds serieuzer, net als haar liefde voor Ronald Koch. “Uiteindelijk komt het onvermijdelijke onderwerp familie ter sprake.” Na ongeveer twee maanden hoort zij dat zijn familie joods is. “Ik was niet bang dat zij mij op mijn vaders verleden zouden veroordelen.”
                                                                                                           

“Bij dezen hebben wij het genoegen U te kunnen berichten dat heden alhier is aangehouden en ingesloten in het gevangeniswezen te Musselkanaal als verdacht van lidmaatschap der N.S.B.: Albert Bruinsma, ten tijde der bezetting van beroep Opperluitenant der Staatspolitie te Rotterdam.”                                                                                                            

Zo bericht de Politieke Opsporings Dienst op 7 september 1945 over de vader van Marijke. Zij is op dat moment nog geen maand oud en krijgt niets mee van de gevangenneming. Haar moeder daarentegen wel:

“Mijn man is gearresteerd geweest en gedurende een dag vastgehouden, waarna hij een  briefje heeft medegekregen dat hij zich moest melden in Ter Apel. Hij moest zich op eigen  gelegenheid daarheen begeven. Hij heeft zulks niet gedaan en is naar Duitschland  vertrokken.”
                                                                                                                                                         Wildvreemde mijnwerker
Uiteindelijk wordt Marijke’s vader alsnog opgepakt in Duitsland en veroordeeld tot tien jaar gevangenisstraf. Deze brengt hij door in een interneringskamp in de Limburgse mijnen. Marijke kan zich van die tijd nog enkele dingen herinneren. “Ik weet dat daar gewone mijnwerkers en gevangenen samen moesten werken. Een van die mijnwerkers, Joep, herinner ik me nog wel. Een goedlachse, gezellige man. Ik speelde daar graag met zijn dochtertje.”
Na zes jaar gevangenschap krijgt Albert gratie. Hij komt in 1951 weer bij zijn vrouw en dochter wonen. “Ik wist niet wie hij was en vond hem  een beetje eng,” vertelt Marijke. “Vrij logisch natuurlijk, voor mij was hij een wildvreemde. Maar de tijd heelde de angst en ik raakte erg gesteld op hem. Hij was een warme man.”    

Onwelkom
Die warme man leert Ronald Koch ook al snel kennen. “Toen ik hoorde dat zijn ouders joods zijn, kon ik natuurlijk niet achterblijven met mijn verhaal,” zegt Marijke. “Maar Ronald is een ruimdenkend mens, dus ik had al op voorhand niet het idee dat hij mijn vader zou veroordelen om de keuzes die hij in het verleden heeft gemaakt.” Het blijkt goed te klikken tussen de twee mannen. “Tussen hen ging het prima, ja. Ronald’s ouders waren een ander verhaal.”
Marijke vertelt dat vader Koch zich erg in de materie van de Tweede Wereldoorlog had verdiept. “Dus hij zei al direct tegen mijn man dat ik daar niet welkom was. Ik schrok er niet van, maar was er wel erg verdrietig om. Mijn man had dit denk ik niet zien aankomen, anders had hij mij wel voor de reactie van mijn schoonouders gewaarschuwd.” Al met al heeft Marijke haar schoonvader maar één keer ontmoet. “Daarna overleed hij. Ik ken hem dus eigenlijk helemaal niet, behalve van de verhalen die ik van mijn schoonfamilie en Ronald heb gehoord. Ze hebben onderduikers in de Tweede Wereldoorlog in huis gehad, maar hoe ze dat combineerden met hun eigen joodse achtergrond weet ik niet precies. Misschien waren ze geen volbloed Joden.”

Familie of vrouw
Ronald verkeert in die tijd in een tweestrijd: kiezen voor familie of kiezen voor liefde. “Zijn familie was zo fel tegen mijn vader dat hij besloot om met ze te breken. Hij zei: ‘Ik kom niet meer bij jullie,’ en is daar ook vijf jaar niet meer geweest.” Marijke spreekt met bewondering over haar man. “Ik weet niet of ik dat had gekund. Het was heel sterk van hem.” Toch voelt ze zich niet schuldig over de keuze die haar man toen maakte. “Hij werd daartoe gedwongen door zijn familie en de harde lijn die zij kozen. Hij ging nog wel af en toe bij zijn moeder langs.” Marijke’s huwelijk is door deze keuze volgens haarzelf niet verpest. “Nee joh, we hadden een prachtig huwelijk. En voor Ronald was het dan wel fijn dat zijn moeder en oom Herman Koch erbij waren. Maar goed, ook al waren ze er niet bij geweest, dan had hij het waarschijnlijk nog niet heel erg gevonden. Dat is ook zijn karakter misschien. Aan de andere kant zou iedereen die keuze kunnen maken. Als je iemand leuk vindt, dan ga je niet zeggen ‘maar je vader bevalt me niet.’ Zo dapper is dat niet.”

Beeldbepalend
Het eerste kind van Marijke en Ronald wordt geboren en ze besluiten toch een kaartje naar de familie te sturen. “Toen zijn zijn twee zussen langs geweest. Daarna is de relatie tussen ons wel genormaliseerd, zolang bepaalde onderwerpen, onder andere dus mijn vader, niet ter sprake kwamen. Toen mijn vader overleed, in 1977, heeft niemand van zijn familie mij gecondoleerd. Dat is ook iets wat je eigenlijk nooit vergeet.” Deze starre houding, zoals Marijke het noemt, is tekenend voor haar beeld van de familie. “Het blijft altijd in je achterhoofd zitten. Je weet hoe ze kunnen zijn.”

Ongewild
Op sympathie heeft Marijke dus nooit hoeven rekenen bij haar schoonfamilie. Een oom van Ronald wist het goed te verwoorden toen hij kwam logeren bij de twee. “‘Ik snap het niet van Ronald,’ zei hij later. ‘Hij had toch verstandiger moeten zijn.’ Ik dacht toen echt: ik gooi die man het huis uit. Dat heb ik uiteindelijk maar niet gedaan, maar ik was er wel ontzettend boos over. Je voelt je aangevallen.” Als Marijke op bruiloften of feestjes van de familie Koch komt, is zij niet een van de meest gewilde personen om een gesprek mee te voeren. “Dat voel je, die sfeer. Ze zeiden geen vervelende dingen, maar lieten wel merken dat ze me niet interessant vonden.” Marijke kijkt even bedenkelijk. “Het had misschien ook per ongeluk kunnen zijn, dat ik dacht ‘nou ik zo ook wel wat willen drinken’ en dan kreeg ik een hele tijd niks te drinken. Dan denk je wel ‘is het nou expres of vergeten ze het?’.” Na een tijd loopt bij Marijke de spreekwoordelijke emmer over. “Toen heb ik een glazen deur dichtgesmeten van woede. Die was niet meer heel,” besluit ze lachend.

Strijd tussen charme en schaamte
Mensen kunnen veranderen in de loop der jaren. Zo ook moeder Koch. “Na het overlijden van mijn schoonvader kwam Ronald’s moeder regelmatig bij ons over de vloer. We waren net getrouwd en dan bleef ze wel eens logeren bij mijn ouders. Het wonderlijke is dan wel dat zij mijn vader later heel erg graag mocht. Wat op zich weer niet onbegrijpelijk is, want hij was een heel charmante man. Zelfs zijn reclasseringsambtenaar schreef dat hij heel sympathiek was. Het was bijna onvermijdelijk dat zij hem aardig zou vinden. Ik was niet voor niks zo dol op mijn vader.” Als Marijke op bezoek komt bij haar schoonmoeder, dan merkt ze dat die zich toch schaamt. “Ik zei toen: ‘het was gezellig hè, bij papa en mama zondag,’ en dan kreeg zij een kleur, want dat wilde ze eigenlijk niet bekennen. Haar kennissen mochten niet weten dat ze bij ons kwam. Dat kon namelijk niet, het was niet geaccepteerd.” Verder heeft niemand in de familie ooit Albert Bruinsma ontmoet. Niemand behalve Ronald’s moeder en oom Herman Koch.

Verloren broer
“Waar ik erg spijt van heb, is dat ik mijn vader tijdens zijn leven zo weinig heb gevraagd naar zijn tijd bij de Grüne Polizei,” verzucht Marijke. “Ik weet dat hij daar inspecteur was en dat de politie in die tijd onder de bezetter viel, meer eigenlijk niet. Niet dat ik zo nieuwsgierig ben, maar na de dood van mijn vader ontdekte ik dat ik nog een broer heb. Hij heeft mij via de stichting FIOM, dat biologische familie op kan zoeken, weten te vinden. Hem heb ik graag over zijn vader willen vertellen – en dat kon tot op zekere hoogte – maar hoe Albert in de Tweede Wereldoorlog was, heb ik alleen in de processtukken kunnen vinden. Toch ben ik wel blij dat ik in dat dossier las dat hij geen joden heeft opgepakt, razzia’s heeft gedaan, dat soort slechte dingen. Mijn broer is nu overleden, maar met zijn zoon heb ik nog wel goed contact, tenzij het over politiek gaat,” vertelt Marijke. “Laatst zei hij dat het fijner was geweest als zijn vader, mijn broer dus, in het verzet had gezeten. Dan denk ik ook ‘wat is die jongen naïef en wat heeft hij weinig kennis van zaken.’ Terwijl hij toch redelijk belezen is. Ik snap echt niet dat je dat soort dingen dan kunt zeggen. Dat onze vader een NSB’er was, daar kun je nu weinig meer aan veranderen.”

Schop onder tafel
Over Israël moet je het met Marijke niet te vaak hebben. Bij etentjes wil dat onderwerp nog wel eens ter sprake komen en dan komt de rechtvaardige kant van haar naar boven. “Wat ik zo vervelend vind aan die Israëldiscussie, is dat veel mensen alleen de kant van de joden zien. Ik probeer dat dan te nuanceren en zeg ook dat ik de kant van de Palestijnen best begrijp. Ronald is wat dat aangaat wat kortzichtiger en vindt dat ik die discussie niet te ver moet opstoken,” vertelt Marijke. “Tsja, en als hij vindt dat ik eens moet stoppen, krijg ik een schop onder de tafel. Gelukkig zijn dit de weinige aanvaringen die ik nog meemaak tegenwoordig en is de rust weer redelijk teruggekeerd. De écht roerige tijden van mijn leven zijn wel voorbij nu.”