Kinderen over 'foute' ouders

Lettergrootte:    
Werd hier recht gedaan? (2)
1944 tot 1945, Het Noorden van Nederland
Een voorbeeld uit tienduizenden soortgelijke gevallen …
De Groningse Veenkoloniën zaten in de winter van 1944/1945 vol evacués. Lüneburgers (NSB-families die na Dolle Dinsdag georganiseerd naar de Lüneburger Heide vertrokken waren) en gewone “vrijwillige“ vluchtelingen.

Het nieuwe gezag vond terecht dat al dat volk naar hun haardsteden terug moest. De onderneming Gebr. Kram & Co. in Veendam moet uit een legerdump één of meer oude vrachtauto’s (huif van dekzeil, banken parallel aan de zijkanten van de bak) hebben gekocht en verzorgde daarmee het vervoer van politiek onbetrouwbare mensen zoals wij naar de plaatsen van herkomst. Met het Rijksevacuatiebureau was een prijs van f 17,50 per kop overeengekomen en voor 376 mensen leverde dat het bedrijf f 6580 op. Ik heb kunnen achterhalen dat de firma tussen 11 juni en 17 juli transporten naar diverse plaatsen in Nederland verzorgde. Er kunnen ook eerdere en latere overbrengingen geweest zijn.
Zo waren wij 11 juni aan de beurt. Onder bewaking. Na een lange dag – de rit begon ’s ochtends en eindigde aan het eind van de middag - werden we niet netjes thuis bij onze twee-onder-een-kapwoning aan de uitvalsweg naar Zwolle afgezet, maar bij het bureau van de Politieke Opsporingsdienst (POD). Dat was gevestigd in wat korte tijd de Landwachtkazerne en van oorsprong de Deventerse Meisjes HBS was. We werden door een bewaker opgevangen en moesten in de hal wachten. In de auto hadden we waarschijnlijk wat meegenomen brood kunnen nuttigen, maar warm eten kregen we niet . Ma had wel een groot stuk kaas om de trek te stillen en deelde ervan uit aan man en kinderen. Dat kon de bewaker niet aanzien en nam onze proviand in beslag. Intimidatie of diefstal? Wachtend in die hal zagen wij een ets uit ons huis hangen. Een onbehaaglijk voorgevoel moet mijn ouders toen bekropen zijn. Dat werd bewaarheid: ons huis was geplunderd: huisraad, boeken, achtergebleven kleding, speelgoed, hobbyspullen, erfstukken, kunstvoorwerpen als schilderijen waren van bezitter maar niet van eigenaar verwisseld. Zelfs uit een bankkluis is een antiek Chinees porseleinen kaststel ontvreemd. Deze plundering werd later gelegaliseerd. Het ging om “vijandelijk vermogen”. Jaren later noemde de Raad voor Rechtsherstel het “oorlogsschade”. Zei Shakespeare niet: what is in a name? Een juiste juridische duiding is misschien: grootschalige diefstal, in vereniging gepleegd.

Terug naar de POD. Vader en moeder werden afzonderlijk verhoord, zo ook mijn oudste zus (14) en ik (15). Wie ben je? Waar zijn jullie geweest? Waar was je lid van? Wat heb je gedaan? De POD besloot mijn moeder gevangen te nemen, was immers lid van de NSB geweest en dat soort moest beslist vastgezet worden. Mijn vader had zijn vrijheid al verloren. Hij, kantoorman, verbleef daarna als ongeschoold legger van drainagebuizen in het interneringskamp Zwolschevaart in de Noordoostpolder waar ik hem een keer bezocht: zijn mooie kamgarenpak was niet meer wat het ooit geweest was. Hij vertelde mij van de spanningen in het kamp. De gevangenen hadden als voorbereiding op eventualiteiten hun schoppen scherp geslepen. Zijn latere interneringskampen: Van Heutszkazerne ( Kampen), Kamp Duindorp (Scheveningen) en Crailo (Laren). Hij bracht ruim 25 maanden in gevangenschap door en is nooit veroordeeld. Kennelijk een licht geval …

Mijn moeder was gevangene in de Van Heutszkazerne in Kampen. Slapen in het stro. Op 31 augustus 1945 werd door de bevolking uitbundig Koninginnedag gevierd, ook op het plein voor de kazerne. Lang leve de Willemien. Er werd gehost en gejoeld. Dat laatste was tegen de politieke gevangenen. Mijn moeder en haar lotgenoten stonden doodsangsten uit, maar de feestvierders bleven buiten de deur.

Met een bloedend hart moest Ma van haar kinderen afscheid nemen, ook van mijn jongste zusje van nog maar 7. Dat viel haar erg zwaar. Wij kinderen werden onder bewaking naar het tijdelijke kindertehuis Nieuw Rollecate gestuurd. Lopend van de Assenstraat naar de hoek Ceintuurbaan/Tesschenmacherstraat. Met 11 andere kinderen, de “oogst” van de dag. Uitvoerig bekeken door Deventenaren die wij passeerden. Aankomst 11 juni 1945 in de avond in het tehuis, eigenlijk een door vakantie tijdelijk leegstaand opleidingsinstituut voor leraressen, een Rijkslandbouwhuishoudschool met internaat . Daar waren en kwamen andere kinderen, waaronder baby’tjes. Afgenomen van hun moeders. Hoe verzinnen ze zoiets onmenselijks. Sommige kinderen kenden we al uit de jeugdbeweging of van naam. En er kwamen er meer. Ik heb de administratie in het Historische Centrum in Zwolle gezien. De leiding had zuster R. Kievit. Ze wordt door de meisjes als een kreng omschreven, maar haar ondergeschikte leiders en leidsters waren aangenamer. Op 6 juli moest ik met de tien andere “grote” jongens vroeg opstaan, bagage pakken en in een kleine vrachtauto met banken plaatsnemen. Waarheen? Dat werd ons niet verteld.

We kwamen terecht in het Jongenskamp “Dijkzicht”, eigenlijk een jeugdherberg in Berkum bij Zwolle aan de Overijsselse Vecht. Was een open kamp, bestemd voor jonge politieke ”delinquenten”, die uniformdienst in Duitsland en Italië hadden gedaan. Geen echte “wapendragers”, maar wij met z’n tienen hoorden daar niet thuis. Dat bleek uit correspondentie die ik in het stadsarchief van Deventer vond. Zuster R. Kievit werd in juli/augustus vervangen door de heer Dirk L. Broeder. Die vond dat wij tienen onterecht waren afgeschoven omdat de zuster ons niet aankon. Hij haalde ons terug, 1 september 1945 volgens de registratie, en zorgde dat we weer naar school konden. Het was een menselijke tehuisdirecteur. Deze erudiete literator had wel nog een verborgen agenda. Op de HBS werd ik door een mij bekende ex-Jeugdstormer gewaarschuwd dat deze man homoseksueel was. Hij wist wat dat betekende. Dat woord behoorde echter toen niet tot mijn woordenschat. Maar ik heb wel gemerkt dat hij nauw contact zocht en had met een minderjarige pupil in het kindertehuis. Dat was toen en is nog altijd bij de wet verboden, zo vertelde een homofiele lotgenoot mij.

Toen ik terugkwam in Deventer, waren mijn zusjes weg. Waar waren ze? Niemand voelde zich geroepen het mij ongevraagd te vertellen. Ze waren op 18 augustus 1945 (de bronnen spreken van 18-9 maar dat is beslist fout) in huis genomen bij een oom en tante. Bij hen ontstonden problemen: de overheid wilde niet (tijdig) aan het levensonderhoud van de meisjes bijdragen en tante raakte overspannen. Drie dagen voor Kerstmis werden ze gedumpt (zo vinden ze dat zelf) in een niet bepaald prettig kindertehuis. Het was het Gemeentelijke Nooddoorgangshuis voor Oorlogspleegkinderen aan de Monseigneur van de Weteringstraat 116-118 in Utrecht. Gerund namens de Unie van Vrouwelijke Vrijwilligers door een echtpaar en enkele onbekwame hulpen. Het onpedagogische handelen daar bezorgde mijn jongste zus een traumatische ervaring. Op 14 januari 1946 konden zij naar het Boschkamp in Huis ter Heide waar de heer J. Emous de scepter zwaaide. Het was een groot omheind terrein met lage stenen legeringsgebouwen, aangelegd voor de Luftwaffe. Daar hadden ze het beter, al was de jongste weer de dupe van een bejegening die weinig te maken had met inzicht in opvoedkunde.

Mijn oudste zus herinnert zich dat er in haar drie weken in het genoemde Utrechtse tehuis tenminste één baby is gestorven. De geïnterneerde moeder werd er nog bij gehaald voor het kind stierf. Waarom toch zuigelingen van de moeders scheiden? Dat deden zelfs de boosaardige Japanners en Duitsers niet.

Op 4 april 1946 kwam moeder vrij. Familie steunde haar: moreel en materieel. Ze was blij met haar vrijheid na bijna tien maanden internering en ruim twee maanden huisarrest. Maar ze was totaal berooid. Ze haalde de oudste op 12 april uit het Boschkamp en bracht haar naar een zuster. Toen ze na veel zoeken bij kennissen van vroeger twee bovenkamers gevonden had, kon ze de jongste twee op 19 juni bij zich nemen en mij op 20 augustus 1946. Ze verdiende de kost met naaiwerk. Het waren een slaapkamer/huiskamer en een kleine zijkamer: slaapplaats voor mij. Armoede was aanvankelijk ons deel en het kerstpakket van de Nederlandse Hervormde Gemeente was in 1946 een zegen. En dat was ook de predikant, B. van Ginkel, een Gereformeerde Bonder, die als veldprediker met de in WOII weer in krijgsgevangenschap teruggeroepen Nederlandse officieren meeging, hoewel hij dat niet verplicht was. Liet thuis wel een vrouw met kinderen van onze leeftijd achter. Chapeau.

23 mei 1947 kwam vader vrij. Toen hij vlak bij ons onderkomen was, floot hij. Zijn fluitje herkenden we onmiddellijk als het zijne. Hij had er ruim 25 maanden vrijheidsontneming opzitten. Zijn (ons) vermogen bleef aanvankelijk onder beheer van Het Nederlandse Beheersinstituut. Men dacht mogelijk dat hij dat als accountant niet zelf kon. Toch moet er een andere reden geweest zijn. Welke? Het opruimen van de puinhopen van ons leven kon met zijn steun verder. Hij vond werk via de dominee. De strijd om een financiële compensatie van de overheid heeft jaren geduurd. Uiteindelijk kwam er nog wat , niet veel, van de overheid los.

Een eerlijke, oprechte politieke keuze, gemaakt vanuit nationalistische gevoelens met een sociale component, mondde uit in een onverantwoord harde politieke vervolging, geïnitieerd in Londen. Doorgedrukt met omzeiling van ons parlement. Het had anders gekund. Net als in Nederlands-Indië na de Duitse inval in Nederland had men de kaderleden van de NSB plus de wapendragers plus natuurlijk mensen die misdrijven hadden gepleegd, kunnen oppakken en de rest min of meer ongemoeid kunnen laten. Ze hadden toch niets meer te vertellen. Een periodieke meldingsplicht voor de lichte gevallen was een optie. Of eventueel huisarrest. Dan hadden de moeders met hun kinderen thuis kunnen blijven.

Mijn vader verloor zijn baan. De motivatie in het besluit van de Militaire Commissaris voor Overijssel was: op grond van vaders houding tijdens de bezetting kon geen getrouwe medewerking aan het herstel van het vaderland verwacht worden. Ik ben bang dat ze hem dat niet gevraagd hebben en denk dat hij zijn medewerking graag gegeven had. Vader had ook zijn gezindheid getoond door in september 1944 drie maanden voorschot op zijn salaris te ontvangen. Hij heeft er overigens wel voor gewerkt. Nadeel heeft de staat er niet van ondervonden maar zijn gezindheid bleek er wel uit. Kunt u het nog volgen?

Veel Nederlandse politieke gevangenen van 1944, 1945 hebben moeten lijden onder wat een in het geniep moordende, machtige, ontaarde stroming van het Duitse nationaal-socialisme teweegbracht. Dat was onterecht, buitensporig en had rampzalige gevolgen. Het zou de Nederlandse overheid van nu sieren als zij daar iets aan deed. Op zijn minst excuses. Financiële compensatie (“een gebaar” desnoods) zou een redelijke erkenning van het onrecht van de Bijzondere Rechtspleging zijn.

Het leed van de slachtoffers van de Japanse interneringskampen was niet de schuld van de Nederlandse overheid van toen. Toch kwam er een gebaar in geld omdat het Nederlanders aangedaan werd. Het nauwelijks te beseffen leed van de door o.a. Nederlanders bedreven slavenhandel wordt min of meer door de Nederlandse overheid erkend. Ik wacht op de volgende erkenning van mateloos onrecht. Door mede-Nederlanders aangedaan aan Nederlanders met een afwijkende politieke overtuiging, en wel onder verantwoordelijkheid van de Nederlandse overheid. Die grondrechten en wetten schond. En er werden feiten vervolgd die op het moment van handelen NIET strafbaar waren.
Vrouwe Justitia had haar blinddoek afgedaan, haar weegschaal sloeg behoorlijk door en het zwaard was vlijmscherp geslepen.

Bronnen: GA Pekela, Historisch Centrum Overijssel, GA Deventer, Het Utrechts Archief, NIOD, CABR, zuiveringsdossier bij het NA, collectie JBV.

 
Tijdlijn
  • 1942
  • 1943
  • 1944
  • 1945
  • 1946
  • 1920 - 1929
  • 1930 - 1939
  • 1940 - 1949
  • 1950 - 1959
  • 1960 - 1969