Er waren vrouwen met de volgende achtergronden: ‘kind van’
- verzetsouders
- joodse ouders
- NSB-ouders
- Communisten-ouders
- Duitse ouders
- Vrouwen, die als meisje in Indonesië in een Jappenkamp hadden gezeten.
We ontdekten er dat we veel gemeenschappelijks hadden: ondanks de verschillende belevenissen hadden we allen een ‘gebroken jeugd’ meegemaakt, én wat zeer verheugend was: dat we elkaar konden steunen, en vijandbeelden naar elkaar konden afbreken.
Het enthousiasme over deze ontmoetingen was zo groot, dat we (na nog een aantal weekenden over ongeveer 1,5 jaar verdeeld doorgegaan te zijn) besloten om niet te stoppen, zoals eerst het plan was, maar iets te gaan doen met onze positieve ervaringen. Dit werd de prenatale fase van KOMBI.
Onze groep was inmiddels wat kleiner geworden; ik was de enig overgeblevene met mijn achtergrond (kind van NSB’er). Ondertussen waren er ook al een aantal parallelgroepen (onder andere gespreksgroepen) gestart!
Nadat ik zelf over dit soort ‘samengaan’ zoveel goede en bevrijdende ervaringen had opgedaan, was ik graag bereid om mee te denken en te werken aan een vastere, georganiseerde vorm van dit samengaan, zodat ook andere ‘kinderen’ van de oorlog deze mogelijkheid zouden kunnen krijgen.
Het is fijn om te merken hoe je met aanvankelijk negatieve belevenissen, zoals een oorlogstrauma, later ook iets positiefs kunt doen!
Ik heb als medeoprichtster een jaar meegedraaid om alle ins en outs te bekijken en de statuten op te stellen van wat Stichting KOMBI werd. De naam KOMBI werd pas aan het eind bedacht, en staat voor: ‘Kinderen van de oorlog voor Onderlinge en Maatschappelijke Begeleiding en Integratie’.
Tijdens het tweede ‘Born-weekend’ kwam er een ‘nieuweling’ bij. Ze was de dochter van een joodse, communistische verzetsvader, die ook in de oorlog is doodgeschoten. Vanaf het eerste moment dat ik haar zag, had ze voor mij zóiets vertrouwds, alsof ik haar al jaren kende, wat niet zo was! Ik had het gevoel dat we nog veel met elkaar te maken zouden krijgen, en zocht al gauw contact met haar. Achteraf vertelde zij me dat ze dat eerst wel eng vond. Maar het ‘klikte’ al snel tussen ons.
Zij werd ook één van de medeoprichters van KOMBI, dus we zagen elkaar geregeld. Trouwens: ook de joodse vrouw met wie ik in de IKON-uitzending zat, is één van de medeoprichters!
Daarnaast werkten we gezamenlijk mee aan een interview van een journalistiekstudente over onze achtergronden en ons latere ‘samengaan-als-kinderen-van-de-oorlog’.
Toen KOMBI een officiële stichting werd, was daarover een gezamenlijke uitzending bij Koos Postema, 26 april 1990. Daarmee besloot ik mijn medewerkers-periode af. Mijn man ging toen juist met pensioen en ik besloot daarom niet door te gaan in het KOMBI-bestuur; gelukkig werd er een Werkgroep Herkenning-lotgenote gevonden, die bereid was het over te nemen.
Op één van onze Born-ontmoetingen danste mijn nieuwe vriendin na de maaltijd langs mijn stoel, tikte me luchtigjes aan en zong bijna: ‘Ik ga naar Israël, ga je met me mee?’ Ik wist niet wat ik hoorde! Was dat echt voor mij bedoeld? Was het een grapje? Had ik het wel goed gehoord? Wat zou ik dát graag willen, juist met haar, want ik was erg op haar gesteld geraakt! Ja, ik wilde mijn hele leven al een keer naar Israël en wist ook zeker dat dát komen zou, maar niet wanneer. Nu dus misschien?
Vroeger dacht ik nota bene dat ik in de kibboets zou moeten gaan werken, om ‘iets goed te maken van mijn vader’. Ik heb dat nooit gedaan, uit angst dat men mij daar liever niet zou zien. Na mijn verwerking, toen ik me niet meer vereenzelvigde met mijn vaders oorlogsverleden, wilde ik er nog steeds graag een keer naar toe voor ontmoetingen en om te zien hoe men er leeft; maar niet meer in een afhankelijkheid om iets goed te maken, want ik hoefde immers niets goed te maken voor iets waar ik part noch deel aan had gehad!
Toch was ik me wel bewust dat ik het omgekeerd nooit had durven vragen aan iemand met een joodse achtergrond: om met mij mee te gaan naar Israël. Nu zou ik dat wel durven!
Onze reis is moeilijk te beschrijven, in ieder geval de emoties. Heel belangrijk was dat we onze ervaringen en gedachten zeer open en gelijkwaardig konden delen. Dat alleen al was zó goed en veilig! We deelden verdriet en plezier, hebben elkaar gesteund en aangevuld. Bovendien zijn we nog meer gaan begrijpen van elkaars pijnen, angsten en belemmeringen die ontstonden door onze oorlogsbelevenissen. Ik heb voor het eerst begrepen hoe moeilijk het is dat je niet meetelt binnen het jodendom als je wel een joodse vader maar geen joodse moeder hebt; terwijl toch de helft van je wortels met je vader te maken hebben (alsof je niet bestaat!).
Het was heerlijk zó dicht als we elkaar geestelijk konden bereiken! Hoewel er natuurlijk ook momenten waren die we elk voor onszelf beleefden, maar dat kón ook en was zelfs vanzelfsprekend. Ik heb me bij haar erg op mijn gemak en ‘mezelf’ gevoeld. Nooit had ik één moment van eenzaamheid in Israël.
De eerste week maakten we met een kleine bus (acht passagiers en een gids-chauffeur) een toeristische rondreis door een groot deel van het land, behalve het zuiden.
Natuurlijk kwamen wij er de oorlog tegen: in monumenten, restanten van tanks, verhalen, musea. Op veel plaatsen staan ter gedachtenis aan overledenen namen ingebeiteld (gebouwen en dergelijke) en verse bloemen worden neergezet om geliefden te herdenken. Op sommige plaatsen werden onze tassen geïnspecteerd, en overal in Israël zagen we veel jonge soldaten. We maakten een paar keer een spannend moment mee – dreigende Palestijnse jongelui op de Jordaan-oever toen we met de bus passeerden, een valse bommelding bij de Westelijke muur – maar we hebben ons nergens echt bedreigd gevoeld.
Het heeft mij goed gedaan om te zien hoe de mensen hier, na alles wat zij hebben meegemaakt, niet alleen maar weten te overleven maar ook léven, met een soort levenslust waar ik van kan genieten. Hier leerde ik dat het er allebei tegelijk kan zijn: verdriet en vreugde. Ook onze reis stond in dat teken, en ze wisselden elkaar snel af.
Als voorbeeld noem ik het moment dat we op een kleine erebegraafplaats kwamen, waar jonge soldaten lagen die in een hinderlaag gedood waren. Het uitzicht was er zo mooi en levendig, het leek in tegenstelling met de dood. Er stond veel groen, waaronder dennenbomen. Er lagen dennenappels op de grond, die me opvielen, omdat er aan alle een stukje tak was blijven vastzitten. Ik raapte er een stel op, bedacht dat ik ze erg graag bij de dennenappels op mijn vensterbank zou willen leggen, en raakte prompt in een flinke verwarring. Die dennenappels in mijn vensterbank heb ik namelijk van het graf van mijn vader opgeraapt, als enige tastbaar iets aan zijn dood. Maar kon dat nu wel? Mocht ik dat wel? Die dennenappels bij elkaar leggen, zou dat uit piëteit naar de soldaten én mijn vader wel kunnen?
Gelukkig hielp mijn KOMBI-maatje me weer op de been met de opmerking: ‘Als jij dat graag wilt, kan dat heus wel!’ En zo is het gebeurd; het doet me goed dat ze bij elkaar liggen, in vrede. Ook op andere momenten put ik soms troost (en begrip) uit de natuur.
Samen plantten wij in Jeruzalem een boom voor ‘alle kinderen van de oorlog’, en mijn vriendin nóg één, voor haar vader. Het was zo fijn dat met elkaar te kunnen doen! Ik voel me erg gelukkig dat ik het allemaal op deze manier heb mogen beleven.
Beiden waren we ook zeer geïnteresseerd in de culturen van Israël. Mijn vriendin zocht naar de wortels van haar joodse vader. Met veel liefde wist zij mij te vertellen over de joodse cultuur; ik heb daar erg van genoten. Ik leerde ook dat er onderling grote verschillen zijn onder het joodse geloof, wat ik me van tevoren niet zo gerealiseerd had. Op mijn beurt kon ik haar weer wat vertellen over bijbelse verhalen, zoals ik ze in mijn jeugd had leren kennen, want de reis ging ook langs veel christelijke gebouwen en heilige plaatsen.
Met de Palestijnse bevolking hadden we weinig contact. Alleen in de Dom van de Rots in Jeruzalem (het prachtige gebouw met de grote, goudkleurige koepel) werden we vriendelijk toegeknikt door verschillende vrouwen; weer buiten gekomen passeerden we moslimvrouwen, die ons daarentegen erg boos en verwijtend aankeken.
Ik had het gevoel dat de hele wereld samenkomt in Israël, zowel de verschillende geloven (islam, joods, christelijk), als de mensen vanuit allerlei landen, en ook nog eens letterlijk de continenten – ik maakte in het noorden de eerste aardbeving van mijn leven mee.
Na de interessante en vermoeiende week met gezelschap en gids zijn we nog vier dagen in Tel Aviv en Jeruzalem gebleven, hebben musea bezocht en de steden op eigen houtje beleefd. Heerlijk die vrijheid! Net zolang blijven kijken bij de Muur als we zelf wilden, er is daar zoveel te beleven. Idem op andere plekken.
We gingen nog een keer terug naar het Hadassah-ziekenhuis in Jeruzalem, waar de synagoge en de ramen van Chagall me zeer boeiden. Speciaal één raam, het donkerste, hield mijn aandacht gevangen. Ik begreep niet waarom, want ik vond het niet direct het mooiste. Toen ik aan een gids vroeg wat het voorstelde, bleek het de symboliek uit te drukken van het verhaal van Simon. Simon werd door zijn vader verstoten, omdat hij gedood had. Hij doodde namelijk de ‘vijandige’ familie van zijn nieuwe schoonzus tijdens het bruiloftsmaal.
Ik ben het er mee eens dat je een ander nooit mag doden! Dat idee heb ik al in mijn jeugd meegekregen (mijn vader liet zich vóór de oorlog terugzetten van luitenant tot soldaat, opdat hij nooit aan iemand het bevel tot doden zou hoeven geven).
Opnieuw raakte ik hier in een panische verwarring, en probeerde ik mijn gedachten op een rijtje te krijgen. Mijn eigen vader is namelijk door het verzet geliquideerd (in 1944; ik was toen negen jaar) omdat hij bezig was een lijst te maken van 400 mensen die naar Duitsland gestuurd moesten worden voor de Arbeitseinsatz.
Door zijn dood zijn die mensen nooit naar Duitsland gebracht, wat voor mij (toen ik dat achteraf hoorde) een troost was. Ik vond het een ‘logische som’: want ‘zeker waren niet alle 400 levend teruggekomen; dan beter die éne, die er zelf aan meewerkte dan de anderen die onvrijwillig moesten gaan’, was mijn gedachtegang. Dat ‘die ene’ toevallig mijn eigen vader was, maakte de som niet anders voor mijn verstand.
Mijn gevoel zegt nú echter dat ik mezelf wel erg tekortdoe, door zo makkelijk afstand te doen van mijn geliefde vader; bovendien voelt het als verraad naar hem. En nu bleek door het raam van Simon ook nog eens weer dat doden niet mag, nooit! Hoe moet ik dan denken? Boos op de verzetsgroep die mijn vader doodschoot, ben ik nooit geweest. Wel op mijn vader om zijn keuze, waardoor hij ons in de steek liet, voor mijn gevoel. Die boosheid is na dertig jaar haat gelukkig weer omgekeerd tot liefde, want hij was een beminnelijke vader, dat wist ik pas later weer. Veel te laat!
Gelukkig waren er mijn reisgenote en een receptioniste van het ziekenhuis, die mij liefdevol aanhoorden en troostten.
Zo’n moment waar we stiller bleven naar elkaar, was in het Yad Vashem-museum over de Tweede Wereldoorlog. De beelden en verhalen waren zó indringend, dat er geen woorden voor waren. Hoewel we beiden wisten dat dit bezoek moeilijk zou zijn, wilden we het bewust niet ontlopen. Het was goed om elkaars aanwezigheid te weten. Pas later konden we er over praten.
Ik was enige jaren ervoor in het kamp van Mauthausen geweest. Dat bezoek was erg zwaar voor mij. Toen ik in het Yad Vashem-museum zag hoeveel van zulke kampen er hadden bestaan, was dat haast niet te bevatten, en voelde ik de grond onder mijn voeten wegzakken om zoveel menselijk leed en ‘krankzinnigheid’. De arm van mijn maatje was een echte steun.
Vervolgens zijn we nog een week naar Eilat geweest, met de bus heen door de woestijn en per vliegtuig terug, wat een schitterende tocht was. We logeerden in de jeugdherberg en ontmoetten er boeiende mensen.
In Eilat rustten we uit en genoten van strand en zee. Er is een prachtig onderwaterleven, dat we onder andere snorkelend bekeken en waar we ons vis voelden met de vissen. Het was heel goed om zo nog een week samen te zijn en al genietend na te praten. Van de vriend waarmee ik in 1985 in de IKON-uitzending was, kreeg ik in een periode ruim voor onze reis een aantal weken therapie. Hij wilde daarvoor geen geld aannemen en zei dat ik er tijdens mijn Israël-reis maar iets leuks voor moest doen. Samen met mijn reisgenote hebben we er een diepzeeduik van 60 meter met de plaatselijke onderzeeër van gemaakt.
Daardoor kunnen we na afloop zeggen, dat we samen letterlijk en figuurlijk tot grote hoogten en diepten zijn gegaan. En het was goed!
Niet altijd ben ik nog zo bezig met mijn verwerking. Het is een stuk rustiger geworden in me. Ik kan veel meer genieten van het heden dan vroeger. Vooral als ik creatief bezig ben, vergeet ik echt alles. Dat neemt niet weg dat ik nog telkens bedroefd kan worden als ik bijvoorbeeld de indringende reclameposter van het NRC Handelsblad zie met de foto van enkele elkaar omhelzende soldaten, omdat ik aan den lijve weet hoe wáár de tekst van E. Fraterman erop is: ‘Je kunt verdriet inslikken, maar het verlaat je lichaam nooit’. Wat in elk geval gebleven is, is mijn verdriet dat er nog elke dag nieuwe kinderen van de oorlog bijkomen; te weten hoelang zij nog moeten knokken om hun pijnen te boven te komen en om zichzelf te kunnen worden. Dat ik bijna machteloos moet toekijken, doet me zeer. Het is mijn liefste wens dat zij goed opgevangen worden. Ik was er dan ook heel erg blij mee dat KOMBI de gewonnen Marga Klompé-prijs ter beschikking stelde voor begeleiding van oorlogskinderen in Bosnië.
Het gaat mijn inziens niet alleen om onze eigen ‘oude’ pijnen, maar ook om wat wij er van leerden en hoe we daarmee anderen kunnen helpen. Dan hebben onze ervaringen een positieve zin gekregen en kunnen we misschien een klein stukje meewerken aan vrede.
Dit verhaal is eerder verschenen in het Bulletin van Werkgroep Herkenning, jaargang 11 nummer 4, december 1996


.jpg)
.jpg)
