Kinderen over 'foute' ouders

Lettergrootte:    
Vakje kleuren, kaartje scheuren - de terugkomst van mijn vader
1947
Op 1 juni had ik mijn vader verwacht, op die prachtige, zonnige dag, een van de vele mooie dagen van die mooie zomer van 1947. Maar die avond kwam hij niet.

Mijn moeder kwam alleen thuis, ze was doodmoe en kwaad, smeet met de deuren en zei weinig: ik dorst niets te vragen en maakte mij klein en onopvallend. Voor ik naar bed ging, liep ik de tuin in tot aan het weiland. Ik keek in de verte. Op de Vliet zag ik de schoorsteen van een klein sleepbootje, zwart met gele band. Even voor de brug braakte het zwarte rook uit. Er kwaakten kikkers, er zongen vogels: het was er mooi en stil, maar het had nog mooier kunnen zijn en stiller, diep van binnen.

De volgende dag vertelde ik het op school aan juffrouw Corman, mijn lieve, hartelijke juf uit de eerste klas. Ze vond het ook jammer, zei ze, maar nu hadden we de tijd om samen iets moois te maken. Een dag later, terwijl de klas tekende, mocht ik naast haar op de lessenaar komen zitten. Ze had een kaart getekend: een soort kalender in blokjes, op elk blokje stond een datum. Die blokjes moest ik voorzichtig langs de lijntjes uit prikken en dan elke dag er één afscheuren: als ik nog één kaartje over had – “zie je, daar staat 1 juli: dan komt je vader echt thuis”. Ze had ook een ‘wensje’ gemaakt, een gedichtje dat ik uit mijn hoofd moest leren. Dan kon mijn vader het gedichtje meelezen als ik het op zou zeggen, de avond na de grote dag. Op de kaft had ze met een liniaal een rechte hoek getrokken, waarlangs ze grillige hokjes had getekend.
“Als je elke dag een hokje kleurt, gaat de tijd heel snel”, zei ze, “hier moet je beginnen”, ze wees de bovenkant aan, “en dit is het laatste hokje. Er zijn net zoveel hokjes als kaartjes. Als je alles gekleurd en afgescheurd hebt, dan is het echt 1 juli en is je vader er echt.”

Verder zei de juf niets, maar ik ben met een heel trots gevoel gaan tekenen. Het was de eerste keer in mijn leven, dat ik ervoer wat verzoening was: een kind deelt zijn vreugde met iemand; we waren samen blij. Op de lagere school ben ik nooit om mijn vader gepest. De kinderen accepteerden mij zoals ik was. De juffrouw hoefde nooit in te grijpen: de kater kwam later.

Ik leerde het versje van buiten:

Hoera, nu is mijn papa weer thuis,
Nu is eindelijk alles weer pluis:
Lieve Pa, welkom thuis
En een zoen van ons allen.
Bij ons thuis zal het u
Heel wat beter bevallen…

De rest ben ik vergeten. Maar toen kende ik het van voren naar achteren en omgekeerd. Elke ochtend kleurde ik mijn vakje en scheurde mijn kaartje van de prikkaart, zenuwachtiger naarmate de grote dag dichterbij kwam.
Toen het bijna zover was, een dag van te voren ging mijn moeder al weg, opgewonden als een jonge geliefde in een gloednieuwe jurk. Ze zouden een nacht in een hotel slapen en dan thuis komen. “Pappie is moe”, zei ze, “na die hele lange tijd.” Ik mocht die nacht bij Theo en Riet Bode logeren, achter en boven de kruidenierszaak in de Herenstraat. Juffrouw Corman had er, op verzoek van mijn moeder, voor gezorgd. Nu nog ervaar ik de verzoening die juffrouw Corman uitstraalde. Zij begreep dingen. En voor mij was het een ervaring in een gezin te zijn. We speelden in de tuin en ik had het fijn.

Hoe verging het mijn moeder in Den Helder? Later vertelde ze hoe het gegaan was. Hij was de poort uitgekomen, zijn valies in zijn hand en had op de grintweg even stilgestaan, rondgekeken en met zijn ogen geknipperd. Toen had hij rondgekeken en haar hand gepakt. Vervolgens had hij het op een lopen gezet. “Weg! Weg!”, riep hij, en nog eens, “Weg!” “Maar ik heb een cadeautje voor je” zei ze verbluft en hijgend, meegesleurd in zijn looppas. Pas toen hij buiten adem was stond hij stil. “Dat nooit meer!” zei hij, “Nooit meer politiek!” Toen zijn ze gearmd naar de trein gelopen en hebben ergens in Alkmaar gelogeerd.

De dag van zijn thuiskomst was om nooit te vergeten. ’s Middags kwam mijn tante uit Rotterdam, bij wie mijn moeder na haar vlucht op adem was gekomen. Zij kleedde het huis wat aan. Vrijwel iedereen uit de straat, behalve mevrouw van Mastrigt, had bloemen gebracht: de kippenboer, de politie inspecteur, de onderwijzer en mensen die ik niet kende. Het huis stond er vol mee, alle vazen en glazen potten waren in gebruik en tegen een uur of vijf stroomde het huis vol met visite. Af en toe liep ik het huis uit, de straat op om te kijken of ze er al aankwamen. Ik werd zenuwachtig en opgewonden, was druk en viel over mijn woorden. Om de minuut keek ik op de klok. En toen ik rond half zes een tram over de Hoornbrug zag rijden, richting Delft en weer naar buiten liep, zag ik ze de hoek omkomen.

Mijn vader in een bruin pak met een valies in de hand, met de andere hand naar mij zwaaiend, een stralende man, mijn moeder liep er naast, trots, rechtop. Als een koningin liep ze door de straat, waar ze uit weggevlucht was, ten onrechte was opgehaald, met de man, haar man, om wie ze zoveel had geleden, had doorgemaakt. Voor wie ze door een hel was gegaan, gevlucht, vernederd, bedreigd. Voor wie ze had gereisd, haar voeten had stukgelopen en als een terriër had gevochten. Ook zij straalde. Voor haar was het een persoonlijke triomftocht naar haar huis, dat zij terug had moeten veroveren.

En beiden waren stil toen ze de bloemen zagen en verrast door de vele visite die applaudisseerde. Het was voor beiden overweldigend, een teken van waardering, misschien van verzoening. Op haar op één na jongste zuster na ontbrak haar familie. Ook die had ze moeten inleveren, die gezellige, lawaaierige, emotionele en gulle familie, waarbij zij wel, maar hij niet welkom was. En dat heeft ze nooit genomen.

De visite bleef niet lang, iedereen begreep wat er in hen beiden omging, de moeheid van mijn vader, zijn schuldgevoel wellicht, zijn onzekerheid over de toekomst. Maar ook de moeheid van mijn moeder, die nu uitgevochten was en opnieuw moest wennen aan een man naast haar.
Ook zij was, ondanks haar uitgesproken geluk, bang voor die toekomst. Beiden misten de dochter die “gevlucht” was. Bij mijn moeder zat er, ondanks de intensiteit van haar beleving, niet uitgeprate wrok en teleurstelling. Beiden wilden energie verzamelen om het bouwproces te hervatten: je kon niet net doen alsof er niets gebeurd was. Daarvoor liep er een te grote barst door hun huwelijksleven.

Het bleef lang licht: eigenlijk was het nog licht toen ik naar bed ging. Ik had mijn wensje nog eens opgezegd. Mijn vader droeg mij op zijn schouders naar boven en stopte mij onder. Daarna luisterde ik naar de geluiden in huis. Ik hoorde kopjes rammelen, deuren gingen open en dicht. Daarna hoorde ik mijn vader zingen. Zijn diepe, warme stem klonk door de tuin, maar zijn lied brak na een paar maten af. En ik hoorde hem huilen, met lange snikken en uithalen, al zijn frustraties en verdriet er uitgooiend. Ik hoorde mijn moeder sussende woordjes zeggen, die ze ook tegen mij gezegd had wanneer ik verdriet om hem had.
Toen werd het heel stil en vredig; de schemer ging over in een warme nacht. Ik wist, dat , ondanks de vredige stemming en een gevoel van overweldigende vreugde, alles van nu af aan toch anders zou zijn.

Dit verhaal is een fragment uit het boek 'In de naam van de vader en de zoon. Kind tussen waarheid en schaamte'. Verschenen bij uitgeverij De Nieuwe Haagsche (2009).

 
Tijdlijn
  • 1945
  • 1946
  • 1947
  • 1948
  • 1949
  • 1920 - 1929
  • 1930 - 1939
  • 1940 - 1949
  • 1950 - 1959
  • 1960 - 1969