Kinderen over 'foute' ouders

Lettergrootte:    
V. Volwassen in Nederland 1969 - 2009
1969 tot 2009
De revolutie en het rijk van de vrijheid kwamen niet. Ik geloofde er niet meer in en werd actief in de vredesbeweging. Ik was nu getrouwd, we kregen twee dochters. We hadden een paar gelukkige jaren samen, maar er bleef weinig ruimte over voor mijzelf.

 De kerk werd mijn werkterrein. Eerst was ik predikantsvrouw. Later maakte ik mijn studie af en werd zelf predikant.  Tussen mij en mijn man ontstond al gauw een soort angst-woede reflex. Dat eindigde telkens met wat psychologen een pay-off noemen: als ik terugviel in het besef hoe fout ik wel niet was, dan werd het tussen ons weer goed. Het eindigde in verliefd worden op anderen. Tenslotte kwam de scheiding. Ik was weer alleen, maar werd opgevangen door vrienden uit de kerk. Vanuit de doopsgezinde broederschap kreeg ik d e nodige hulp. Zo kwam er weer ruimte voor een nieuwe relatie, die nu al vijfentwintig jaar bestaat. Ik was al boven de veertig, toen wij nog een dochter kregen.  Na een omscholing werd ik vooral geestelijk verzorger.

W., mijn man, kreeg het aanbod om aan de de Universiteit te blijven en na zijn doctoraal te promoveren. Hij koos toch voor het predikantswerk. In Groningen ging ik meestal naar de studentengemeente, nu werd ik weer helemaal Doopsgezind. De droom van Revolutie was vervlogen, ik werd lid van de Doopsgezinde Vredesgroep en van Kerk en Vrede. Ik werd “vrouw van”, net als mijn moeder, ik werd pastorievrouw, net als zij. Wij kregen twee dochters. Niets heeft mijn leven zo veranderd als de geboorte van mijn kinderen. Twee kleine mensjes met wie ik dagelijks optrok, die mij het gevoel gaven dat ik echt bestond. In 1974 wilde W. ook al weer weg van de Zaan, naar een Fries dorp. Van daar vertrokken we binnen twee jaar: terug naar de stad, want in een dorp konden wij niet meer aarden.

Leiden werd het nieuwe begin: een universiteitsstad, een gemeente met culturele belangstelling.
Ik werd gekozen in het bestuur van IFOR, een internationale vredesorganisatie. De afkorting staat voor "International Fellowship of Reconciliation". Dit is een religieuze beweging, ruimer dan christelijk. Ik vatte de studie weer op. De Doopsgezinden en Remonstranten in Delft stelden mij aan als parttime predikant. Er kwam een studente in huis die hielp met de kinderen. Zover het kon ging ik weer op reis. In die tijd begon de ellende in ons huwelijk, om niet meer op te houden. Tijdens de jaarwisseling '80/'81 was ik in een ashram in India. Ik werd actief in een IKV-kern. Voor wie het nog weet: "Help de kernwapens de wereld uit, om te beginnen uit Nederland." De kinderen gingen toen al naar school. W. liet zijn doctoraalexamen lopen, hij raakte overspannen, en begon mij uit te schelden voor nazi als hij gedronken had. Meestal indirect, zo van “Ik weet wel waar jij vandaan komt.” Ik brak met mijn ouders om hem niet te verliezen. Dat hielp niet. Het vreemdgaan begon, en eerlijk gezegd: ik was de eerste die dat deed. We gingen in huwelijkstherapie. Dat leek te helpen, en toen werd hij verliefd op een man. Ik ging in therapie bij een hulpverlener die Quaker was. Nog één keer verhuisden we met de kinderen naar Rotterdam, waar hij weer in dienst kwam van de Doopsgezinde gemeente. Daar ben ik uiteindelijk weggegaan. Met mijn ouders heb ik mij verzoend, nog vóór ze wisten dat ik ging scheiden.
Ik kreeg veel hulp, ook financieel. Vooral uit de Doopsgezinde Broederschap. De vriend van mijn man was bereid voor de kinderen te zorgen. De scheiding werd een onwaardig gevecht. De kinderen mochten bij de mannen blijven, de boedel bleef onverdeeld. Mijn ex-man deed het een tijd goed, begon toen meer en meer te drinken. Zijn vriend verliet hem. Ik had intussen een nieuwe relatie gekregen met W.V. Hij kocht een huis in Den Haag, waar hij bij een ministerie werkte. De kinderen kwamen regelmatig. Ik bleef werken in Delft. Daarnaast had ik twee jaar lang een bureau thuis van een Latijns-Amerikaanse organisatie, Servicio Paz y Justicia. Ik bezocht de Dwaze Moeders in Peru en voerde een campagne samen met Amnesty International. De vrouw die wij toen vrij kregen werd een paar jaar later 's ochtends van haar bed gelicht waar haar kinderen bij waren. Ze “werd verdwenen”. Ik was verslagen. Ik wist dat deze dingen gebeuren, ze gebeurden immers ook hier in en na de oorlog, de tijd waarin ik geboren werd. Veel massaler nog. Maar na de Bevrijding kwamen moeders en vaders meestal wèl terug. Gelukkig hadden wij toen al een kind, en dat gaf mij de moed om verder te gaan. In datzelfde jaar werd ik als Doopsgezind predikant beroepen in Zoetermeer, in een vrijzinnig-oecumenische gemeente. Daar ben ik twaalf jaar gebleven. In Rotterdam werkte ik al één dag in de week, bij de vrijzinnige geloofsgemeenschap NPB.
Onze peuter was bijna drie jaar toen W. mijn ex-man, overleed. Mijn oudste dochter was al student op dat moment, de tweede zat voor haar eindexamen. Ik ontving een nabestaandenuitkering. Zo kregen mijn dochters en hun pleegvader een steuntje in de rug. Ook dat is Nederland!

In 1998 schreef ik mij in voor een training Klinisch Pastorale Vorming, in een vrouwenklooster. Wij hadden ons eigen verblijf, onze eigen groep. Dat betekende: je eigen levensverhaal meebrengen, letterlijk. Leren reageren op elkaars verhaal en op elkaars eigenaardigheden. Bibliodrama (bijbels theater) spelen en spirituele oefeningen doen. Kijken naar hoe je je boodschap overbrengt. Gesprekstechniek leren aan de hand van een eigen casus. Daar heb ik vrienden aan overgehouden.
Ik nam ontslag in Zoetermeer, maar kon niet meteen het werk vinden dat ik zocht. In die periode ben ik met een delegatie van drie personen een maand bij de Papoea’s geweest in de voormalige Nederlandse kolonie. Wij waren Doopsgezind, hun kerk was al in de jaren ’50
ontstaan uit de Hervormde en de Doopsgezinde zending. Zij voelden zich in de steek gelaten door de Nederlanders. “Jullie hebben ons achtergelaten als kinderen in een brandend huis”. Wij hebben niet geprobeerd uit te leggen dat de Nederlanders toen niet anders konden. Dat verklaart immers niet waarom wij de kerkelijke contacten zo weinig intensief hadden aangehouden. Zij ontvingen ons gastvrij, we werden zelfs in een clan opgenomen. Dat ging met een varkensfeest waarbij allerlei rituelen hoorden.
Kort daarna mocht ik mocht op freelance – basis beginnen in een zorgcentrum in Den Haag.
De Doopsgezinde gemeente Den Haag, waaraan het zorgcentrum verbonden was, bood mij later daarnaast parttime predikantswerk aan. Na twee jaar, op mijn zestigste, mocht ik met VUT als predikant. Toen kon ik mij concentreren op het pastoraal werk met bejaarden.

Mijn drie dochters werken bij het onderwijs: één is docent aan de Universiteit. Zij doet onderzoek en geeft colleges. De andere twee zijn lerares en lerares- in- spé in het basisonderwijs. "Onderwijzers" dus. Ik heb een kleinzoon en een kleindochter, broertje en zusje. Mijn jongste dochter is actief in de kerk en in de vredesbeweging. Ze wonen alle drie in dezelfde stad.
Mijn dochters weten van de oorlog en de nasleep er van, het gevoel delen ze niet. Hoop ik.
Genoeg. Hun leven is hun leven.

 
Tijdlijn
  • 1940 - 1949
  • 1950 - 1959
  • 1960 - 1969
  • 1970 - 1979
  • 1980 - 1989