Het kamp had, zo onder aan dat talud, iets gezelligs. Rond een klein exercitieterrein lagen maar twee slaapbarakken en een officiersbarak. In het talud was een grote schuilkelder gebouwd, die vrijwel dagelijks moest worden bezocht.
Een van de slaapbarakken was het onderkomen van een verzameling oude knarren, die zo konden zijn weggelopen uit de Engelse televisieserie ‘Daar komen de schutters’. Als een bizarre tegenstelling vulden wij - jonkies van 14 - 15 jaar - de andere barak. Een besnorde brulaap in de rang van Obergefreiter drilde jong en oud met een voortvarendheid, alsof het een opleidingskamp voor Amerikaanse mariniers betrof. Wij hadden veel ontzag voor hem.
Waarvoor werden wij gedrild?
Wij werden gedrild, omdat een soldaat kennelijk altijd moet worden gedrild ook al blijkt, dat daarmee geen hoger doel moet worden gediend dan de bediening van grote ‘Sperrballonnen’. Het kunnen vullen en het kunnen oplaten en weer neerhalen van hele grote luchtballonnen, vastgehouden door een dikke staalkabel. Die moesten de spoorbrug bij Burg tegen luchtaanvallen beschermen. Als gevolg van Duitse Gründlichkeit wisten we na enige weken alles van een ballon, van een staalkabel en het bijbehorende windwerk met Zweitaktmotor.
Bij elke ballon bevond zich een kleine barak (tegenwoordig praat men over een compound) voor twee volwassen soldaten en drie of vier knapen. De soldaten waren van onduidelijk allooi. In mijn compound was een van de twee een Pool, Kowalski of iets van dien aard, die zo zeer anti-duits was, dat hij juichte toen das Oberkommando der Wehrmacht bekannt gab, dat Hitler de heldendood was gestorven. Het systeem viel uiteen. Al in het grote legerkamp in Rostock was zichtbaar, dat de discipline verslapte. In de kantine werd rondgehangen met de benen op tafel, een sigaret aan de lip en een vrouw aan de arm.
In Burg verdeelden we de tijd tussen het Lager met zijn Obergefreiter en de compound, waar we met steun van Kowalski ‘onze’ ballon bedienden, waar we sliepen en elke nacht moesten wachtlopen. Dat deden we afwisselend van zeven tot elf, van elf tot drie en van drie tot zeven.
Ik herinner mij vele glasheldere vriesnachten, een overdadige sterrenhemel en een volledige stilte om mij heen, die zich afzette tegen het inferno aan de verre horizon. Daar kon een dunne steeds oplichtende lijn van vuur zichtbaar zijn en kon ik in de stilte zelfs de explosies horen als een diepe grom; als ver weg gelegen onweer. Op zestig kilometer afstand was ik daar de verschrikkingen gewaar, die over Hamburg en Kiel werden uitgestort.
Was de hemel bewolkt en de stilte en duisternis absoluut dan kon het gebeuren, dat ik tegen de wand van de barak in slaap viel.
Ooit op zo’n eindeloos durende wacht doemden er twee figuren op uit de duisternis. Op mijn kernachtig ‘Halt!’ liepen deze echter totaal niet geïmponeerd gewoon door naar onze barak. Volgens het boekje had ik ze ter plekke moeten neerschieten. Ik zou dan mijn hele leven hebben meegedragen, dat ik twee soldatenmeisjes van het leven had beroofd, die niet meer in zin hadden, dan ons leven in de compound wat te veraangenamen.
Later zouden zij nog een keer langs komen, terwijl ik niet op wacht stond. Ik heb toen voor het eerst een meisje in bed gehad en ze was waarachtig heel jong en heel mooi. Jammer genoeg was ik toen nog zo zeer vooroorlogs katholiek, dat ik werkelijk helemaal niets heb gedaan, stomweg - met het kind naast mij - in slaap ben gevallen en de andere dag zelfs vol schaamte terugdacht over zoveel zondig gedrag. Een jaar later ‘zag ik het licht’ en stapte, wellicht toch geërgerd over die gemiste kans, radicaal van mijn geloof af.
Ik herinner mij, dat wij daar in Burg een Entlausungsstelle hebben moeten bezoeken en dat dat op mij een ‘unheimische’ indruk maakte. Opgesloten achter een soort kluisdeur in een onwezenlijk hoge, nare ruimte met douches, maar ook met vreemde inlaten en spuitmonden werd ik overvallen door een huivering. Later zou ik begrijpen, dat ik daar in een ruimte ben geweest, waar niet alleen het lichaam kon worden gezuiverd, maar ook het ras.
Toen de geallieerden naderden moesten wij tot hoog in het talud van de spoorbrug loopgraven graven en omdat het kamp aan de noordzijde van het kanaal lag hadden we van daaruit een uitstekend uitzicht op de overzijde van het kanaal en op de naderende vijand. We kregen een spoedcursus oorlog voeren. Voor mij was dat het kunnen bedienen van een machinegeweer, waarvan zelfs ik kon zien, dat het de eerste wereldoorlog had overleefd.
Zo lagen wij gereed, alsof we een toneelstuk opvoerden. Elk begrip voor realiteit volslagen afwezig, zowel bij de oude knarren als bij ons. Wel werd een nog niet zo oude knar hysterisch. Wij zagen hem vanuit onze hoge standplaats schreeuwend richting officiersbarak rennen. We zagen onze jeugdige, zeer Pruisische commandant rustig naar buiten komen en hem met een zeer strakke arm een kogel door het hoofd jagen. Dat beeld zal mij wel altijd bijblijven, want nog diezelfde dag zagen wij aan de overzijde van het kanaal een legermacht aanrollen met aan het hoofd een open auto met vier militairen. En ook zagen wij aan onze kant van het kanaal onze Pruisische commandant rustig en met grote waardigheid de waterkant naderen, die Fahne hoch, ofwel met strakke arm de witte vlag tonend aan zijn overwinnaar.
Voor ons was de oorlog over en waarom had die gek geworden oude knar nou niet nog heel even kunnen wachten met gek worden. Waar hij het leven liet is hij waarachtig de hele verdere dag blijven liggen.
Slagen voor het eindexamen HBS of daaromtrent is meer dan een euforie. Het is ook het einde van een tijdperk in je leven. Een oorlog verliezen is het einde van een tijdperk van een schaal, die je voorstellingsvermogen te boven gaat. Een wereld, die je leven heeft beheerst, bestaat eenvoudig niet meer. Wij deden maar wat. Het was mooi weer en we lagen op onze rug in het gras langs het kanaal en een Engelse jager vloog als een speeltje aan ons voorbij onder de spoorbrug door. We zagen de hele lucht gevuld met bommenwerpers en daar omheen cirkelende jagers. Heel hoog en helder in eindeloze formaties. Ontelbaar. Het moet om Dresden zijn gegaan. Jaren later zou ik ‘Het Stenen Bruidsbed’ lezen en terugdenken aan die zonnige dag in Sleeswijk-Holstein. En jaren later zou in mij een diepe afkeer ontstaan voor wat nog vele malen na Dresden ook het Amerikaanse ‘handelsmerk’ zou blijken te zijn om vanaf grote hoogte - als een straffende vinger Gods - de wereld van een ander te vernietigen.
01-07-2000









































.jpg)



.jpg)



.jpg)
.jpg)