Diaconie Weeshuis der
Hervormde Gemeente te
A m s t e r d a m
Rapport voor de bestuursvergadering d.d. 8 April 1954.
Betreft: Voorstel tot plaatsing van xxx [uit privacyoverwegingen heb ik de naam van mijn zus weggelaten] en Mona Dorré (27-7-1941) in gezinsverpleging bij de heer en mevrouw xxx, Amsterdam.
Toen in Mei 1953 van de kant van de leiding aan Mona en xxx het voorstel werd gedaan tot plaatsing in een gezin, n.l. het gezin xxx te Dordrecht, stond Mona hier wel positief tegenover, doch xxx wilde veel liever in het Diaconie Weeshuis blijven. Besloten werd om Mona alleen te laten gaan. Na het eerste kennismakingsbezoek was Mona nog zeer positief, doch de zomervacantie van 3 weken was zowel voor Mona als voor het gezin een teleurstelling en derhalve werd besloten deze plaatsing niet door te laten gaan.
Als reden van het mislukken van deze poging tot plaatsing in gezinsverpleging hebben meegeteld:
het feit dat niet beide zusjes bereid waren te gaan en daardoor dus werden gescheiden,
de veel stillere omgeving in Dordrecht, waar Mona niet heeft kunnen wennen,
een zekere terughoudendheid t.o.v. familie in plaats van de verwachte belangstelling, en
waarschijnlijk ook de orthodox-godsdienstige instelling van het gezin.
Nu zijn Mona en Xxx in Januari 1954 uit zichzelf opnieuw teruggekomen op de mogelijkheid van plaatsing in een gezin. Ook en vooral xxx wilde eigenlijk graag in een gezin worden opgenomen. Hierbij was hun wens, wel in Amsterdam te blijven.
In dit verband kwamen wij via de Voogdijraad in Amsterdam in contact met het gezin xxx in Amsterdam. Dit gezin heeft zich ongeveer 2 jaar geleden opgegeven bij de Voogdijraad als pleeggezin, naar aanleiding van een tijdschriftartikel waarin de grote behoefte aan pleeggezinnen werd beschreven. De Voogdijraad heeft destijds het gezin bezocht en goedgekeurd doch had gen kind dat voor plaatsing in dit gezin in aanmerking kwam, waardoor tot nu toe geen gebruik van hun aanbod werd gemaakt.
Ondanks het lange wachten bleek de familie xxx alsnog bereid een plaatsing te overwegen en al had men aanvankelijk bezwaren tegen het opnemen van twee meisjes in plaats van één, men wilde ook dit wel bezien, daar zij begrepen dat scheiding van de twee zusjes niet goed mogelijk was.
Het motief van de familie xxx om pleegkinderen op te nemen ligt hoofdzakelijk in heet sociale vlak.
[De gegevens over het pleeggezin die nu in het rapport volgden, zijn vanwege de privacy weggelaten]
De reactie van Mona en xxx op de mogelijkheid van dit gezin was al dadelijk zeer positief. Zij waren beiden blij in Amsterdam te kunnen blijven, en de buurt waar het gezin woont lokte hen zeer aan.
Beiden toonden van het begin af de wil om mee te werken en zich aan te passen.
Daar de afstand in dit geval geen bezwaar was, werd afgesproken dat de kinderen voorlopig ’s Zondags bij het gezin op bezoek zouden gaan, om te zien of dit contact over en weer zou aanslaan en zo zijn Mona en xxx nu achtereenvolgens 7 Zondagen in het gezin geweest, waarvan eenmaal een weekend.
Deze bezoeken zijn zeer goed verlopen. De kinderen waren reeds na het eerste bezoek zeer positief en wilden niets liever dan meteen voorgoed in het gezin blijven. Daar echter van een enkel contact nog weinig te zeggen viel werd besloten, nog een reeks bezoeken te laten volgen.
Mona en xxx zijn van alle bezoeken zeer positief teruggekeerd, en blijven bij hun wens, in dit gezin te mogen gaan wonen.
De berichten van het gezin uit zijn over het algemeen gunstig te noemen. Op hun gedrag in het gezin viel niets aan te merken. Zij waren beleefd en hulpvaardig en bereid iets aan te nemen. Van een profiteer-houding, zoals Mona destijds toonde in het gezin in Dordt, is hier geen sprake.
Wat leeftijd betreft passen Mona en Xxx tussen de beide dochters in het gezin in. Mona en de jongste dochter trokken al spoedig samen op. Aanvankelijk heeft xxx getracht zich te richten op de oudste dochter doch deze is in leeftijd en ontwikkeling haar verre vooruit, hetgeen in het begin tot gevolg had dat xxx probeerde toch met haar mee te kunnen doen door een wat blufferige houding. Gaandeweg richtte zij zich echter meer tot de jongste dochter en tot Mona, waardoor ook zij een wat ontspannener houding aan kon nemen.
De jongste dochter staat positief tegenover Mona en xxx en laat in allerlei kleinigheden ziet dat zij bereid is, deze beide pleegzusjes op te nemen.
De oudste dochter voelde zich aanvankelijk wat bedreigd in haar positie in het gezin, doch mevrouw xxx heeft dit goed weten op te vangen, en hoewel de oudste nog steeds wat ambivalent in haar houding is, achtte mevrouw xxx dit toch geen bezwaar en ziet voor haar dochter in het opnemen van Mona en xxx in het gezin ook positieve kanten.
Mevrouw xxx toont een aardige kijk te hebben op Mona en xxx. Zij voorziet met xxx meer moeilijkheden dan met Mona doch ziet hier niet tegenop. Zij heeft zoals zij zegt, veel geleerd van het opvangen van de beide kinderen uit het eerste huwelijk van haar man en meent dat zij er wel in zal slagen het vertrouwen van de beide kinderen te winnen.
Zij ziet heen door de uiterlijke, wat lawaaierige en blufferige houding van xxx en haalt vooral de positieve karaktertrekken van xxx naar voren.
De heer xxx staat eveneens positief t.o.v. Mona en xxx. Vooral Mona trekt zeer naar de heer xxx toe. Hoewel de heer xxx zegt meer ingesteld te zijn geweest op het opnemen van één kind in het gezin, ziet hij in dat de zusjes niet kunnen worden gescheiden.
Beiden, zowel de heer als mevrouw xxx, zijn reëel in hun oordeel. Zij stellen hun eisen t.a.v. de kinderen niet te hoog, zien in dat het voor deze kinderen met hun achtergrond niet een eenvoudige opgave is zich in een gezin in te passen, en verwachten vooralsnog van de kinderen niet meer dan de wil tot medewerking. Zij hebben geduld om af te wachten en dwingen de kinderen niet tot een snelle vertrouwelijkheid in hun houding t.o.v. hen. Daar zij zelf kinderen hebben, hebben zij ervaring ook met oudere kinderen en zijn voldoende zeker in zichzelf waardoor zij niet alleen zijn aangewezen op de liefde of genegenheid die de pleegkinderen hen zullen tonen.
Inlichtingen van derden:
Door de Voogdijraad werd destijds geïnformeerd bij de werkgever, bij hoofden van scholen van de kinderen en bij de politie. Alle inlichtingen luidden gunstig, om welke reden niet opnieuw bij deze is geïnformeerd.
De huisarts, Dr. xxx, Adm. de Ruyterweg 88, werd wel om inlichtingen gevraagd. Deze kent het gezin reeds lang en kent ook de familie van beide zijden. Dr. S. deelde ons mede dat hij niets dan goeds kan zeggen van dit gezin evenals van de verdere familie. De sfeer in het gezin en de verhouding met familie is uitstekend.
Medisch bestaan geen bezwaren tegen een plaatsing van pleegkinderen in het gezin. De maagkwaal van de heer xxx geeft geen reden tot ongerustheid.
Financieel is besproken dat voor Mona en xxx een vergoeding gegeven zal worden van f. 15.- kostgeld per kind per week, benevens f. 150.- kleedgeld per kind per jaar. Schoolgeld, ziekenfonds en extra uitgaven na overleg komen voor rekening van het Diaconie Weeshuis.
De heer en mevrouw xxx stellen het op prijs regelmatig contact met het weeshuis te houden en hebben geen bezwaar tegen contact van de inspectrice met de kinderen.
Samenvattend lijkt een plaatsing van Mona en xxx Dorré in het gezin xxx gewenst.
Het feit dat beide kinderen zelf zeer positief staan t.o.v. de plaatsing geeft een goede basis.
Het gezin is niet bijzonder kerkelijk meelevend maar heeft wel belangstelling voor religieuze vragen. Men is volkomen bereid de kinderen te stimuleren in deze. Gezien het niet aanslaan van een meer orthodox georiënteerd milieu, zoals de fam. xxx te Dordt, en de houding van de kinderen t.o.v. godsdienstig leven in het Diaconie Weeshuis is meer te verwachten van een milieu als dit.
De kennismakingsperiode is goed verlopen en blijkt in dit geval voldoende te zijn geweest om een plaatsing op grond daarvan te durven wagen. Alle gezinsleden staan in het algemeen positief t.o.v. de plaatsing, met voldoende objectiviteit en nuchterheid om eventuele moeilijkheden het hoofd te kunnen bieden.
Hoewel vanuit de mogelijkheden en achtergrond van xxx en Mona zeer zeker een risico-factor blijft bestaan, lijkt het toch verantwoord deze stap te doen, waar, zoals reeds in het rapport d.d. Mei 1953 werd gezegd dat hun ontwikkeling en opgroei in het groepsverband niet bevredigend te noemen is en weinig positieve mogelijkheden biedt.
Inspectrice gezinsverpleging


.jpg)



.jpg)



.jpg)








































.jpg)