Ik liet mij vooral inspireren door de Amerikaanse humanistische psycholoog Rogers. Maar mijzelf accepteerde ik totaal niet. Als er iets mis ging in contact met andere mensen dacht ik altijd dat het aan mij lag. Ik streefde naar perfectionisme. Op andere terreinen had ik ook problemen, maar ik erkende die problemen niet eens. Ik was heel bang voor wat mensen elkaar kunnen aandoen.
Toen ontmoette ik in een religieuze gemeenschap, van Taizé, broeder Roger. Ik had vele gesprekken met hem. Hij accepteerde mij volkomen en hielp mij mezelf accepteren. Daarna stond ik mezelf therapie toe. In de wachtkamer van het RIAGG lag de folder van ‘Herkenning’, met onder andere de naam van een oud-collega van mij. Ik zocht en vond contact met haar en zij heeft mij min of meer naar het landelijk weekend gesleept in 1987. Daar heb ik weer een tweede moment van erkenning ervaren, en dat bleek het begin van een verwerkingsproces.
Ik begon mijn verhaal op te schrijven in vijf A4-tjes. Dat hielp mij enorm. Bij mij ontstond toen het idee levensverhalen van mijn lotgenoten op A4-tjes te noteren. Zo ontstond mijn onderwerp voor mijn proefschrift.
Ik heb eerst met een veertigtal lotgenoten en hulpverleners gesprekken gevoerd. Dat was een beetje teveel en ik koos een aantal personen uit voor mijn onderzoek. Ik was geïnteresseerd in verwerkingsprocessen en vooral hoe mensen uit het dal komen. Wat maakt dat je weer het licht vindt?
Als je wortels taboe zijn, je ouderlijke afkomst taboe is, heb je een moeilijk leven. Alle mensen die ik gesproken heb, ontwikkelden een levenshouding die hen uiteindelijk redde. Hun leven werd uitermate zinvol daardoor. Die zingeving berustte op een belangrijke ontmoeting met iemand, een persoon die hen volledig erkende, iemand die je laat voelen dat je mag zijn die je bent.
Eigenlijk ben ik nu begonnen met de conclusies van mijn proefschrift. Om nu te beginnen bij het begin moeten we terug naar de wortels.
Zijn die wortels werkelijk taboe? Ja, en wel op twee manieren. Ze zijn taboe is ons eigen hoofd en in de maatschappij. Laat het je niet aanpraten dat het alleen in je hoofd zit, het zit wel degelijk in de maatschappij. Daarom houden velen zich schuil. Het is een ongemakkelijk onderwerp. Dat heb ik ook weer gemerkt bij mijn onderzoek, mijn proefschrift.
Ik kreeg veel positieve reacties, maar ook negatieve. Er zijn veel vreemde vooroordelen. Omdat ik eigenlijk een dubbele oorlogsachtergrond heb, ken ik ook ICODO. Ook de mensen die daar komen, oorlogsslachtoffers van Japanse kampen, kinderen van verzetsstrijders en overlevenden van Duitse concentratiekampen, klagen erover dat ze niet gehoord worden. Toch worden ze meer begrepen dan wij. Bovendien is ICODO toeschietelijker voor hen dan voor ons. Het is goed als je je daarvan bewust bent.
Niet alleen je wortels zijn taboe, je bent ook gestigmatiseerd. Er is een negatief etiketje op je geplakt. Geen wonder dat je leven ingewikkeld is. In mijn onderzoek ben ik op zoek gegaan naar de pijnpunten.
Dorothee, een gefingeerde naam, onderging afwijzing van haar bestaan: ze moest vluchten op Dolle Dinsdag, het gezin viel uit elkaar. Terug in Nederland zwierf ze van tehuis naar tehuis, van gezin naar gezin. Afwijzing, afwijzing en je mag niet bestaan.
Tweede punt is angst, voortdurende angst voor afwijzing, bang voor mensen, bang tekort te schieten naar anderen, faalangst, je wilt een goed kind zijn, angst dat je niet begrepen wordt.
Het derde punt is, en dan gaan we met zijn allen de put in, maar de lichtpuntjes gloeien al meteen op: Het recht een eigen persoon te zijn is je ontnomen. Je bent het kind van een ouder die fout was en niet meer dan dat.
Vierde punt. Als je iets positiefs denkt over je ouder, zit je fout volgens de maatschappij. Als je iets van je ouders zegt zit je ook fout, want een kind mag zijn ouders niet afvallen. Je zit dus altijd fout, hoe dan ook, je bent gewoon fout. Dat heet het loyaliteitsconflict. Je kunt gewoon geen goed doen. Een kernprobleem.
Bij de mensen die van jongs af aan in een ander gezin zijn opgegroeid, in tehuizen hebben gezeten, ouders die in kampen zaten, is er een groot gebrek aan basisveiligheid. Voor de psychologen is het dan al bekeken. Ik heb een positievere boodschap. We kunnen de basisveiligheid zelf ontwikkelen.
Zesde punt: Het zwijgen. Voor zover ik weet, werd in alle gezinnen van lotgenoten gezwegen. Er werd niet gepraat over gevoelens. Je moest altijd oppassen met spreken. Zwijgen naar binnen toe, het gezin en naar buiten toe, de anderen.
Volgende punt: Het niet weten. We weten niet wat er gebeurd is in de kampen, op onze vluchtwegen. Hoe is de berechting gegaan? We weten niet wat onszelf is overkomen. We kennen onszelf niet, we weten niet waar we last van hebben, soms zelfs niet dàt we er last van hebben. We ontkennen onze eigen problemen, moeten dat ook, en zo blijft het vicieuze cirkeltje rond. We zoeken geen hulp, we zwijgen.
Ik vind ook het begrip ontworteling belangrijk. Dat is een beetje een samenvatting van alle genoemde punten. Zinnen als: ‘Van jongs af aan heb ik van mijn ouders geleerd…’ en ‘Ik ben opgegroeid in een gezin dat leerde…’ kunnen wij niet uitspreken. Iets wat de ‘goeden’ wel kunnen. Wij hebben geen wortels in deze maatschappij. Er was ontworteling, er was ook geen hulp. Nog minder dan bij de andere oorlogsslachtoffers. Wij spraken ook niet met elkaar. Wij groeiden geïsoleerd op, ook afgesloten van onze lotgenoten. Het is geen absoluut verschil, maar wel en verdergaande ontworteling.
En verder is er wanhoop. Hoe moet ik verder? Ik heb gezien dat de mensen met wie ik sprak een zinvol leven leiden. Hoe krijgen ze dat voor elkaar? Welke processen liggen hieraan ten grondslag?
De eerste stap is dat je iemand vindt die jou vertrouwen geeft. Zo verging het Simon. ‘Wat zit er bij u een enorm verdriet’ zei de huisarts. En Simon vertelde zijn verhaal. Maar je moet dan zelf op jouw beurt vertrouwen geven. Anna bijvoorbeeld, hoorde een radio-uitzending waar verteld werd hoe slecht NSB’ers waren. Haar moeder belde op. Anna’s zuster schrok: ‘U hebt toch niet uw naam genoemd?’ Toen knapte er iets bij Anna. Ze belde op naar de radio en vertelde haar verhaal. Ze vond een luisterend oor.
Echt luisteren is moeilijk. Weinigen kunnen dat. Dominee Klamer was zo’n mens. Toen Anna haar verhaal aan hem vertelde, zei hij: ‘Ik wil met jou de put in. Ik weet niet of we er samen uitkomen, maar dan zijn we tenminste samen.’ Hij was ook degene die de stoot gaf tot oprichting van Werkgroep Herkenning.
De eerste keer dat die groep mensen bij elkaar was, was in het Stiltecentrum in Utrecht. En zoals dat gebruikelijk is bij eerste bijeenkomsten, zou ieder zich voorstellen met voor- en achternaam. De eerste begon. Ze zei haar naam en begon te huilen. Toen de volgende. Die zei haar naam en huilde. Zo ging dat de hele middag door, verder dan het noemen van de eigen naam kwam niemand. Die middag is er alleen maar voorgesteld, want daar ging het uiteindelijk ook om. Wie ben je? Wat is je naam? Dat is acceptatie.
Aanvaarding en begrip. Ik heb dat gekregen op zo’n landelijk weekend van Werkgroep Herkenning. Iemand vertelde haar verhaal. Dat was zo verschrikkelijk dat ik dacht mijn verhaal niet meer te durven vertellen. Toen zei zij: ‘Ik ben aangeslagen door jouw verhaal’. Daarmee accepteerde ze mij.
Door acceptatie en begrip kun je komen tot zelfacceptatie, tot zelfaanvaarding.
Jessica, die na de oorlog geboren is, worstelde veel met goed en kwaad, tot ze ontdekte dat dit allebei in jezelf zit. En dat dus ook het goede in haar zit. Anna leerde dat ze ook fouten mocht maken. Dat dit hoort bij het menszijn. Zelfaanvaarding. Titia moest erkennen hoe moeilijk het voor haar was zich bij een groep aan te sluiten, tot ze dat accepteerde. En daarmee zichzelf.
Zelfaanvaarding wordt je wel moeilijk gemaakt, ook door hulpverleners:
Je moet niet zo bang zijn.
Je hoeft je niet te schamen.
De oorlog is toch allang voorbij!
Kom op, joh, schiet niet de slachtofferrol in.
Je moet…je moet…je moet…
Het is allemaal goed bedoeld, maar de onderliggende boodschap is: Zoals je nu bent, ben je niet goed.
Maar we gaan door. We vinden de moed om door te gaan, zelfs te praten met de pers. Als je die moed vindt, help je jezelf verder. Marion, bijvoorbeeld, heeft onder haar eigen naam protest aangetekend toen haar familie in de publiciteit kwam.
Het volgende punt is feitenkennis . Marion las het dossier van haar vader. Het viel haar mee. ‘Moest hierover nu 45 jaar gezwegen worden?’
Dan kom ik op zingeving. Hoe geef je zin aan je leven? Aanvaarding van je lot is een moeilijke zaak. De mensen die ik sprak hierover vonden ergens inspiratie. Anna, bijvoorbeeld, worstelde met de bijbelse tekst: ‘want Ik, de HERE, uw God, ben een naijverig God, die de ongerechtigheid der vaderen bezoek aan de kinderen, aan het derde en vierde geslacht…’
Een rabbijn gaf een andere interpretatie van de tekst dan gebruikelijk is. ‘God doet liever barmhartigheid. Natuurlijk hebben de daden van ouders gevolgen voor de kinderen, maar mensen vergeten dat de tekst vervolgt met: ‘…aan het derde en vierde geslacht van hen die Mij haten, die de barmhartigheid aan duizenden van hen die Mij liefhebben…’ Je hebt een eigen keus’.
Dorothee: ‘Het gaat er om wat ik doe met mijn leven’.
Titia vond steun bij de vrouwenbeweging.
Bij sommige kinderen luchtte het op als ze hun ouders konden accepteren, vergeven. Marion vond inspiratie in het bijbelverhaal van Zachéüs, de joodse tollenaar voor de Romeinen. Hij was een soort collaborateur. Om die reden was hij uitgestoten door zijn landgenoten. Hij wil Jezus ook zien, maar wordt weggeduwd door de anderen. Maar Jezus zegt: ‘Zachéüs, kom vlug naar beneden, want heden moet Ik in uw huis vertoeven’. Zo’n verhaal troost.
Anna aanvaarde haar vader. De haat was voorbij. Ook Jessica ontdekte dat ook het goede in haar vader zat. Gesprekken kwamen nauwelijks op gang, maar de kinderen verzoenden zich innerlijk met hun ouders en daardoor met zichzelf.
Er was een keer een training voor groepsbegeleiders. Die werd gegeven door Mieke van Houten, niet een lotgenote, en ik zat op het puntje van mijn stoel, zo bang was ik om niet begrepen te worden. Zij relativeerde veel met haar opmerking: ‘Foute ouders! Belachelijk. Alle ouders zijn toch fout.’ Deze relativering hebben we misschien ook nog nodig.
Wat mij heel veel heeft geholpen, gebeurde bij mijn promotie. Een van de hoogleraren zei me: ‘Toen ik het boek las, heb ik gehuild, want ook ik heb vroeger op school kinderen gepest, kinderen van NSB’ers. Het spijt me.’ Paul van Vliet vertelde laatst op televisie ook zoiets. Ook hij pestte vroeger op school een jongetje dat er om vroeg een zondebok te zijn, want zijn vader was NSB’er. ‘Het spijt me’, zei Paul van Vliet. Ook dat kan leiden tot verzoening.


.jpg)
.jpg)
