Kinderen over 'foute' ouders

Lettergrootte:    
Mijn verhaal
16-10-1946, Winterswijk
Uit de brieven van mijn moeder in oktober 1946 vanuit het kamp in Winterswijk

16 Oct.’46
……….[ik dank u] …. voor uw bezoek aan  Eva. op haar 3e verjaardag. De kleine peuter zal wel geen overvloed aan belangstelling gehad hebben en mij kent ze niet meer, daar ze me in 1½ jaar niet gezien heeft.

31 Oct.’46
Zag Eva er goed uit, toen je haar bezocht? Ze wordt zeker al groot, hé?
Wie haar mama is, weet ze natuurlijk niet meer, zoo dat je haar ook niet van mij kunt groeten.

 

Hoe het begon

Ik was drie jaar oud en al anderhalf jaar weg bij mijn moeder!
Van het ene op het andere moment zat ik als peuter zonder moeder, alleen met een paar doodsbange zusjes en een broertje in een vijandige omgeving.
Want in het dorp waar wij woonden na onze terugkeer uit Duitsland, wisten ze wel raad met verraderskinderen.
En anders de nonnen van het nabijgelegen klooster wel, waar we uiteindelijk terecht kwamen.
Hoewel, zo’n baby, daar konden de nonnen nog wel wat moederlijke gevoelens voor opbrengen!
Maar ik spreek natuurlijk niet uit eigen waarneming, alleen van horen zeggen en van voelen.
Want de angst die mij sindsdien begeleidt, laat volgens de deskundigen zien dat ik in mijn vroege jeugd in een constante situatie van stress moet hebben geleefd.

Van de nonnen ging het naar een kindertehuis, – alleen – en naar een pleeggezin, en nog een pleeggezin en nog een……, want wie wilde er nu een lastig kind van foute ouders hebben in een tijd dat aan alles tekort was en men zelf moeite genoeg had om het hoofd boven water te houden? En lastig was ik intussen wel geworden, een dwars kind met ‘s nachts nachtmerries, waardoor ik ook nog de rest van het pleeggezin wakker hield.

Wat moet je met zo’n kind? Naar een kindertehuis maar weer? Het besluit was al genomen, toen ik op de valreep mocht komen logeren bij de pleegtantes waar mijn broer tijdelijk was ondergebracht. Geen gezin met jonge kinderen, maar twee zussen die een pension met oudere dames hadden.
Daar ging ik als bijna vierjarige naar het huis dat mijn redding zou worden. Want het klikte met die twee dames wonderwel. Mijn broer heeft gevraagd of het mogelijk was dat ik ook bij hen zou komen, hij ging zelf naar het seminarie en dus misschien dat ik in zijn plaats kon komen….
Maar een jong kind van nog geen vier jaar, zou dat wel goed gaan? Ik wist kennelijk al – intuïtief? – dat ik me daar wel thuis zou voelen, getuige mijn opmerking: “wat hebben we het hier toch met elkaar getroffen!” De dames waren daardoor zo geroerd, dat gaf de doorslag. Zo kwam ik in het huis waar ik zou blijven tot het gezin weer herenigd zou worden. Ik ben er mijn hele leven dankbaar voor geweest, want die 5 jaar – ik was daar van 4-9 jaar – hebben mij toch nog vertrouwen in het leven gegeven: ik was de moeite waard, dat gevoel – dat ik volledig was kwijtgeraakt- hebben ze mij teruggegeven.

Maar aan alle mooie tijden komt een einde, ook ik moest met 9 jaar terug naar het gezin waar ik in geboren was, maar dat ik nooit bewust had gekend.
Mijn moeder was voorjaar ’47 vrijgelaten, mijn vader in najaar ’48 en ze woonden bij mijn grootmoeder van moederskant, samen met mijn oudste broer. De andere 6 kinderen waren allemaal in verschillende pleeggezinnen ondergebracht.
Ik herinner me vaag dat we een keer met kerstmis allemaal bij mijn grootmoeder mochten komen theedrinken, er is toen ook een familiefoto gemaakt, de eerste foto van het gezin, aangezien foto’s van voor die tijd weg zijn.
Mijn pleegtantes voelden het ook als hun plicht om mij op de terugkeer naar het gezin voor te bereiden: het was toch leuk om weer bij mijn broers en zusjes te zijn, nu mijn ouders weer terug waren van hun grote reis naar het buitenland!
Ik kan me niet herinneren dat ik ooit gevraagd heb, waarom ze dan op reis waren gegaan, voor mijn gevoel bestonden ze helemaal niet. Dat gold ook voor mijn broers en zussen, ik hoorde wel eens wat, maar ik had er niets mee.
Maar dat het leuk moest zijn om in een echt gezin te leven, daar kon ik me wel wat bij voorstellen.
In de buurt waren ook kinderen met wie ik speelde die echte ouders hadden en broers en zusjes, dat leek me reuze gezellig.

Terug in het ouderlijk huis

De eerste jaren
Ik ging dus redelijk opgewekt in augustus 1952 naar mijn ouderlijk huis in een andere stad.
Grote koffer met spullen mee, mijn pleegtantes hadden goed voor me gezorgd.
Ik zou in september gelijk naar een nieuwe school gaan, samen met mijn zusjes, het kon niet beter.

Maar het kon niet slechter, bleek al snel. Onderstaande brief van mijn vader aan mijn pleegtantes,
twee maanden na de hereniging, getuigt nog van optimisme.

4 november 1952
Hartelijk dank voor Uw goede wensen bij gelegenheid van mijn verjaardag.
U zult wel van Eva gehoord hebben ,dat het een gezellig feest is geweest en dat de kinderen zich uitstekend geweerd hebben.
Zij beginnen nu al meer aan elkaar te gewennen en langzaamaan groeit hier het gezinsverband, zodat we ze deze keer met minder zorg een weekeinde lieten teruggaan naar hun pleegouders.
Wij hopen,dat over een paar maanden de aanpassing wel voltooid zal zijn, hetgeen voor de kinderen zelf ook veel plezieriger is.

De werkelijkheid was anders en voor mij was het een boze droom.
Mijn moeder moest de kost verdienen en had, na een tijdje werkster te zijn geweest, tenslotte een baan als secretaresse gekregen bij de zaak van een trouwe vriendin. Dat was in een andere stad, zodat ze ’s ochtends vroeg weg ging en pas tegen acht uur ’s avonds thuis kwam.
Mijn vader, die ambtenaar was geweest, kwam niet meer aan de slag en kreeg via een ver familielid de kans een exportbureautje op te zetten vanuit ons huis.
Daar zat ie dan de hele dag en bemoeide zich nergens mee, en wij, vooral de meisjes, waren lucht voor hem. Wij waren op onszelf aangewezen, maar kregen wel taken in het huishouden, dat door ons moest worden gerund. Van liefde of echte zorg was geen sprake, alleen de schoolresultaten waren belangrijk.
Mijn moeder heb ik in die eerste jaren alleen in het weekend gezien, door de week lag ik al in bed.
Want orde moest er wezen, dus werd ik om 7 uur naar bed gestuurd, alleen, en in de winter moest ik in het donker naar boven.
Ik was eigenlijk altijd bang en begon een eigen veilige wereld te scheppen met een fantasiefamilie, samengesteld uit mensen die ik vertrouwde en in een door mij ingericht en gezellig gemaakt huis, waarvoor het huis van mijn pleegtantes model stond.
Ik kon die twee werelden – de veilige en onveilige – redelijk goed uit elkaar houden, maar soms ging het wel eens mis. Zo kwam mijn vader niet voor in de veilige wereld, en toen hij weer eens een opmerking over mijn eetgedrag – ik at heel slecht – maakte, zei ik: “U hoort hier niet te wonen”.
Tot die veilige wereld behoorde natuurlijk ook die van mijn pleegtantes en ik greep iedere gelegenheid aan om daar naar toe te gaan. Mijn vader en oudste broer maakten vaak onhebbelijke opmerkingen over de pleegouders, mijn oudste broer heeft dat naderhand ook wel verklaard: hij wilde zo graag dat we weer een gezin waren – hij had dat vroeger nog gekend, want hij was 7 jaar toen de oorlog uitbrak.
Maar die houding versterkte mij in het idee dat zij niet deugden, wat had ik met hen te maken?
Ik woonde in een huis waar toevallig ook broers en zussen van mij woonden en ook nog een vader en een moeder, maar het was mijn huis niet.
Ik herinner me dat er veel ruzies tussen de kinderen waren, er was geen regie en bovendien waren we allemaal vreemden voor elkaar. Ik kon goed van me afbijten en probeerde mezelf af te schermen, maar het vergrootte ook mijn gevoel van onveiligheid, dus kroop ik maar weer terug in mijn fantasiewereld.
Ik leefde ook erg toe naar de vakanties, dan kon ik weer richting pleegtantes gaan. Dat gebeurde ook wel in de weekenden, als de pleegvader van mijn oudste zusje ons kon komen ophalen met zijn auto – hij moest als vertegenwoordiger nog wel eens in onze stad zijn - want geld voor een treinkaartje was er niet.

Middelbare school
Toen ik 13 jaar was verhuisden we naar de plaats waar mijn moeder werkte, mijn vader kon daar in de buurt ook een administratieve baan krijgen, want het bedrijfje aan huis was een fiasco geworden.
De situatie verbeterde enigszins, mijn moeder deed haar uiterste best om er toch wat van te maken.
Ze was gastvrij, kon goed koken, maar ze had een blinde vlek voor uiterlijkheden, wat goed uitkwam, want er was nooit geld. En er waren wel nog vier kinderen onder haar hoede.
We moesten zelf maar zien hoe we aan onze kleding kwamen, het huis was onverzorgd, want het belangrijkste was dat je een goede opleiding kreeg. Haar uitgangspunt was: zorg dat je in je leven voor jezelf kunt zorgen en niet van anderen afhankelijk bent. Ze had duidelijk leergeld betaald.
Mijn moeder was nooit te moe om ons ’s avonds nog met huiswerk te helpen, ze was ongelooflijk energiek en cijferde zich zelf helemaal weg. Alles moest naar de kinderen en hun opleiding.

En waar was mijn vader? Die hield er een eigen leven op na en bemoeide zich nooit met ons, maar was wel op een negatieve manier aanwezig. Zo kan ik me niet herinneren dat hij ooit interesse toonde voor mij als persoon, maar hij eiste wel voor zichzelf de plaats van gezinshoofd op.
Het heeft niet mogen helpen, ik heb hem nooit als mijn vader gezien.
Toch was hij naar buiten toe charmant, hij zorgde altijd dat ie er goed uitzag, hij had zijn eigen beeldvorming perfect in orde. Met hem kon je je bij wijze van spreken vertonen, terwijl mijn moeder er altijd slonzig en verstrooid bijliep.

Tijdens mijn middelbare schooltijd begon die gespleten wereld waarin ik me sinds mijn 8e jaar had bevonden, gedeeltelijk te verdwijnen. Ik ging nog steeds vaak naar het huis van mijn pleegtantes,
zij letten er bijvoorbeeld op dat ik voldoende en vooral ook een beetje leuke kleding had.
In hun pension kwamen steeds vaker meisjes wier ouders in het buitenland waren en die hier een opleiding moesten volgen. Het was een echt vrouwenhuis met veel gezelligheid en zorg voor de omgeving. Ik had daar vriendinnen met wie ik meer contact had dan met mijn eigen zussen.
Maar ik merkte ook dat ik thuis – met mijn moeder - over andere zaken kon praten, daar was aandacht voor intellectuele zaken, die ik ook belangrijk begon te vinden.
Ook het contact met mijn twee oudere zusjes werd normaler: we zaten op dezelfde school en kenden elkaars vriendinnen. Maar ook zij hadden als wijkplaats hun pleegouders, iedere vakantie en vaak in de weekenden. Echt dierbaar zijn we nooit voor elkaar geworden.

Voor mijzelf kwam iets meer evenwicht, ik merkte dat ikzelf de regie kon nemen: als ik dit nodig heb dan probeer ik het hier of daar te krijgen. Zo rommelde ik door mijn middelbare schooltijd heen, de laatste jaren met continu bijbaantjes om de hoogst noodzakelijkste dingen te kunnen aanschaffen.

Foute ouders

Al die jaren speelde het begrip “politiek foute ouders” voor mij niet. Ik vond mijn ouders fout, maar dan in de betekenis dat ze zich onverantwoordelijk ten opzichte van hun gezin hadden gedragen.
Hun politieke keuze voor en tijdens de oorlog viel daar eigenlijk mee samen: in mijn ogen deugden ze gewoon niet. Wat mijn ouders precies hadden gedaan, was schimmig. Zij zelf spraken er niet over,
de pleegtantes wisten er niet het fijne van:” je vader had iets te maken met spionage voor de Duitsers”. Zij vonden het geen prettige man, in tegenstelling tot mijn moeder die ze erg waardeerden en beklaagden:” ze heeft wel erg moeten boeten voor het feit dat ze met je vader getrouwd is”.
Pas veel later, toen ik de dossiers bij het CABR inzag, werd mij duidelijk wat er precies was gebeurd. Voor de oorlog had hij als ambtenaar informatie aan de Duitsers doorgespeeld die ze konden gebruiken. Al voor de bezetting was hij opgepakt en berecht, maar de Duitsers lieten hem in mei 1940 vrij. Bij de NSB was hij toen niet welkom, hij werd gezien als verrader! Uiteindelijk heeft hij toch een baantje bij de NSB weten te bemachtigen, maar dat was kennelijk niets bijzonders en daar is ie na de oorlog ook niet voor veroordeeld. Wel moest hij toen zijn “oude straf” van voor de oorlog verder uitzitten. Mijn moeder was “slechts” lid van de NSB geweest, haar wilde men pas vrijlaten toen ze onderzocht hadden of ze toch niet ook een rol in de spionage had gespeeld. Dat bleek niet het geval, sterker: ze had het niet geweten, maar was wel steeds achter hem blijven staan.
Dit bevestigde voor mij het beeld dat ik van mijn ouders had: mijn vader een opportunist met weinig verantwoordelijkheidsgevoel, mijn moeder een vrouw die probeerde de gevolgen op te vangen.
Ze bleef achter hem staan! Ze had er dan ook erg veel moeite mee toen ik later liet merken geen zin te hebben in enig contact met mijn vader. Ze is niet zo oud geworden en na haar overlijden heb ik mijn vader nooit meer gezien.

Mijn ouders waren sociaal gezien geïsoleerd, er kwam bij ons nooit bezoek voor mijn ouders, wel kwamen er vrienden en vriendinnen van de kinderen bij ons thuis.
Er was ook vrijwel geen contact met de familie van mijn ouders, we kwamen alleen bij mijn grootmoeder van moederszijde. Ik was ook niet geïnteresseerd in die familie, het was niet mijn wereld.

Mijn ouders vonden het vanzelfsprekend dat ik na mijn middelbare school ging studeren, zij hadden dat zelf ook gedaan. Maar er was geen geld voor, ik kon een kleine bijdrage krijgen, de rest moest ik zelf maar zien te regelen. Dat was ik al wel gewend, dus het weerhield mij er niet van om te gaan studeren.
Het was toen 1963 en de tweede wereldoorlog begon weer op te spelen.
Ik merkte al snel dat “fout zijn geweest” nu iets onvergeeflijks was. Zo was er een jongen in het huis van mijn vriend waarvan bekend was dat zijn vader fout was geweest en hij werd daarmee gepest en er werd met minachting over gesproken. Ik vond wel dat ik het mijn vriend moest vertellen, hij reageerde daar goed op, maar verder sprak ik met niemand over mijn achtergrond. Wel las ik heel veel over WOII, vond dat ik moest weten wat er was gebeurd. Ook zocht ik naar herkenbare situaties, maar die vond ik niet.

De late gevolgen

Al gauw bleek dat ik toch niet ongeschonden door mijn jeugd was heen gekomen. Tot dan toe had ik me steeds vastgehouden aan het idee: als ik straks op mezelf sta, dan zal alles beter gaan.
Maar ik kreeg juist concentratieproblemen bij mijn studie en vond de buitenwereld bedreigend.
De goede zorgen van mijn vriend maakten dat ik overeind bleef en doorging met studie en werk,maar
het bleef een wankel evenwicht. Op de achtergrond was steeds dat gevoel: wat doe ik hier op deze wereld?
Ik studeerde toch af, ging trouwen en kreeg een kleine onderzoeksbaan. Ik werd gewaardeerd om mijn eigen capaciteiten, dat hielp, maar dat basisgevoel van onveiligheid ging niet weg.
Toch maar eens een psychiater geraadpleegd, de diagnose was onvoldoende binding en veel onveilige situaties in de jeugd. Het beste was om er mee te leren leven, eventueel gedeeltelijk te laten repareren, maar een therapie hiervoor zou langdurig, kostbaar en intensief zijn. Hij zou dat niet aanbevelen.

Ik zou het dus zelf moeten doen, ik begon weer te lezen, zocht naar literatuur over de gevolgen van een gebrek aan binding in de vroege jeugd. Wat bleek? De belangrijkste onderzoeken daarover waren in Engeland gedaan bij jonge kinderen die, tijdens de bombardementen op Londen en andere steden door de Duitsers in WOII, van hun ouders waren gescheiden, omdat ze ergens anders waren ondergebracht. Een stabiele omgeving daarna had een positieve invloed op deze kinderen, en dat was precies wat ikzelf ook had ervaren: een stabiel huis, geen stress, en interessant werk, daar voelde ik me het beste bij.
Toen werd ik zwanger en dat zette mijn wereld op zijn kop. Ik was bang voor de gevolgen, hoe kon ik met mijn achtergrond een kind goed opvoeden? Dat kon nooit goed gaan, gelukkig was mijn man een enorme steun. Maar de eerste vier jaar waren erg zwaar voor mij, ik kon mijn verleden kennelijk niet ontlopen. Aan het werk blijven gaf me net dat gevoel van stabiliteit, dat ik nodig had om overeind te blijven. Pas veel later heb ik via de psychiater Bastiaanse een therapie gevonden om mijn trauma’s een plek te kunnen geven. Maar het blijft behelpen.

Eva

 
Tijdlijn
  • 1944
  • 1945
  • 1946
  • 1947
  • 1948
  • 1920 - 1929
  • 1930 - 1939
  • 1940 - 1949
  • 1950 - 1959
  • 1960 - 1969