Kinderen over 'foute' ouders

Lettergrootte:    
IV Student in de jaren '60
1964, Groningen
In 1964 trok ik alleen naar Groningen om theologie te studeren. De vriendin bij wie ik in mijn eindexamentijd had gewoond studeerde daar al een jaar, ook theologie. Zij was lid van Magna Pete, de vereniging van vrouwelijke studenten(later samengegaan met het corps,Vindicat). Dus meldde ik mij ook aan. Maar het corps en wat er zo bij hoorde was niet echt iets voor mij.

Al gauw kwam ik terecht in de sfeer van gesprekskringen. Naar mijn 'eigen' kerk ging ik zelden, meer naar de studentengemeente. In Groningen voelde ik me thuis. Ik vroeg me eigenlijk niet af wat mensen van mijn familie vonden. Dat kwam niet eens in me op. Dat was toch voorbij? Het ging nu over de oorlog in Vietnam, en over de veranderende tijden. Door mijn jaar in Frankrijk kwam ik terecht tussen de babyboomers, en dat was mijn geluk. Alleen mijn vriendin F.K. wist van mijn achtergrond. En een paar familieleden die ook in Groningen studeerden.

De stad, dat was eerst wonen in een krot en later in een studentenhuis. Het was ontgroend worden en op de laatste dag afknappen. Ik las boeken en tijdschriften over nieuwe manieren van geloven en niet geloven. In het theologendispuut werd dat alles druk besproken. Meteen in de eerste maanden ging ik op kroegentocht met een ouderejaars student die bij mij in de buurt woonde, een avontuur met een voorspelbare afloop. Dat was toen nog ongewoon voor meisjesstudenten, dus ik verzweeg het maar. Alleen mijn zus Martje nam ik in vertrouwen. Later bleek dat hij onze achterneef was en dat we als kinderen in Amsterdam met elkaar gespeeld hadden in de Vondelpark-buurt. Martje en ik ontdekten dat in de Kerstvakantie, aan de hand van Moeders fotoalbum, en we kregen de slappe lacht zonder dat zij begreep waarom. Hij kwam later met dezelfde foto aan. "Je had iets gezegd over je familie en over de oorlog. Ik ben eens gaan nadenken "zei hij. Wij lieten het er verder maar bij. Pas halverwege het jaar, toen ik over deze schrik heen was en eindelijk een behoorlijke kamer had, begon ik gericht te studeren. Lang vóór de zomer was mijn geld op, en toen ging ik maar logeren bij mijn zus in Heidelberg. Daar verdiende ik geld als serveerster op de Amerikaanse legerbasis en in een supermarkt met snelbuffet. Vanaf het begin deed ik in Groningen mee aan cabaret, al tijdens de ontgroening en later ook in de faculteit. De Nederlandse Christen Studenten Vereniging waarvan ik lid werd hield koffietafels in de Doopsgezinde kerk. Daar huurde een toneelgroep waarin ik meespeelde ook zijn ruimtes. Verder kwam ik er niet veel: alleen het Doopsgezind Studentencontact was altijd even gezellig. Daar deed ik een soort broer op, met wie ik naar de bioscoop ging of naar het circus. Tenslotte nodigde ik hem uit voor een bal. Ik herinner me nog dat we aan het eind samen buiten gingen kraaien bij het eerste licht. Het weekend bracht ik meestal door bij Tante Frouwkje, die organiste was in de Vrijzinnig Hervormde kerk. Dan ging ik mee. Ik ging een oecumenisch dispuut leiden over Sartre, die ik ook vlijtig las in het Frans. Al gauw kreeg ik bestuursbaantjes in de studentenwereld.
Ineens veranderde alles. Ik was het eerste meisje dat in broekpak naar college ging in plaats van in rok, en een half jaar later liepen we allemaal in spijkerbroek of zelfs in minirok. En toen kwam toch de oorlog weer mijn leven binnen: Amerika vocht in Vietnam. Ik vond dat daar hetzelfde gebeurde als in de Tweede Wereldoorlog hier. Mijn faculteitsvereniging sprak hoogleraren aan om te verklaren dat president Johnson een moordenaar was. Wij kregen er vijf zover, we gingen naar een teach-in in Krasnapolsky in Amsterdam, en we hadden het mooie gevoel dat we voor een goede zaak streden. Een oom die ik ontmoette bij Tante Frouwkje zei dat hij het liefst met een mitrailleur zou schieten op de demonstrerende studenten. Dat werd tussen ons een onaangename ruzie. In de zomer van 1967 maakte ik een reis naar Berlijn met de NCSV. Overdag waren we in het oosten bij de Studentengemeente daar, 's nachts in het westen waar we op muziek van de Beatles dansten. Aan de grens werd ik er uit gepikt vanwege een illegale geldtransactie met een Oostduitse student. Door heel dom te doen redde ik me er uit, maar angstig was het wel. Wij liepen mee met een demonstratie van de Socialistische Studenten Unie in West-Berlijn, en dat was rennen voor de oproerpolitie. Ik werd politiek radicaal. Thuis kocht ik regelmatig het blad "Konkret" van Ulrike Meinhoff. Met de faculteitsvereniging organiseerde ik een congres over "Theologie van de Revolutie". Mijn ouders waren intussen op aandrang van mijn moeder weer naar de Friese Zuidwesthoek verhuisd. Zij waren te gast op het congres, maar konden het allemaal niet erg plaatsen. Voor mijn gevoel kon ik op dat ogenblik alles uitstekend een plaats geven.
Helemaal alleen ging ik naar een besloten filmvoorstelling waar beelden uit SS-archieven vertoond werden. Die nacht heb ik niet geslapen, maar ik werd er alleen maar door bevestigd in mijn radicale gelijk. Dat er in deze tijd niet veel kwam van een vaste relatie, dat laat zich denken. Na twee keer liefdesverdriet gaf ik dat maar op: de tijd van vrijheid was aangebroken, ook in de liefde. In de zomer van 1968 deed de Sovjet-Unie een inval in Praag . Ik liep met een Amerikaanse student over straat, toen we het grote bord zagen vóór het gebouw van de krant. Make love not war - dat was mijn filosofie en ook de zijne. Maar was daar nog wel plaats voor? In die zomer begonnen de migraine-aanvallen, die zouden duren tot ver in de jaren '90 - toen kwam er eindelijk medicijn die afdoende was.
Na mijn kandidaatsexamen moest ik kiezen: wilde ik de predikantsopleiding volgen aan het Doopsgezind Seminarie in Amsterdam, of wilde ik doorgaan voor een doctoraalexamen, met een onzeker toekomstperspectief? Ik koos voor Amsterdam, mee op aandringen van een student, die ik op een Doopsgezind Wereldcongres in Amsterdam ontmoette. Ik tolkte daar, hij werkte mee in de organisatie. De student, W., was assistent bij de hoogleraar Doperse Geschiedenis in Amsterdam. Aan de faculteit daar moest ik helemaal opnieuw beginnen. Vanuit een heel andere uitgangspositie: nu was ik weer de dochter van Postma, je weet wel. Ik kreeg een kamer bij twee doopsgezinde theologen, onder wie W. In Amsterdam vond ik geen aansluiting meer met de studentenbeweging: bij de Maagdenhuisbezetting deed ik wel mee aan de demonstraties, maar ging niet naar binnen. W. en ik werden verliefd op elkaar. Hij werd predikant in deeltijd, in Krommenie, en bleef assistent. Wij trouwden al in de zomer van 1969. Ter gelegenheid van ons huwelijk kregen we ruzie met mijn ouders.Voor mij ging dat over het oorlogsverleden, en ik had het gevoel dat ik het recht had ze te veroordelen. Mijn Tante Frouwkje maakte een half jaar later een eind aan haar leven. Ik weet nu dat het niet alleen aan mij lag, maar ik heb dat lang zo gevoeld.
Ik bleef nog twee jaar college lopen, maar de studie wilde niet meer vlotten. Toch maakte ik wel iets van het bestaan van domineesvrouw.Ik kende immers het pastorieleven van huis uit. Binnen het huwelijk slaagde ik er niet in mijn eigen ruimte te behouden, en het ongenoegen met mijn familie legde een zware hypotheek op onze relatie. Hoe zwaar, dat zouden wij pas jaren later merken.

 
Tijdlijn
  • 1940 - 1949
  • 1950 - 1959
  • 1960 - 1969
  • 1970 - 1979
  • 1980 - 1989