Ik had (heb) er zo’n behoefte aan om weer eens die Bauernhof, daar in Ober-Österreich te bezoeken. In de negentiger jaren gingen mijn vrouw Emmy en ik dus met de trein op reis. Wij hadden telefonisch een fraai en gemoedelijk hotel geboekt met vol pension in Lienz, in het zuiden van Oostenrijk.
Daar in de omgeving, zo had ik thuis al opgezocht, lag Sankt Johann im Walde. Vanuit het hotel gingen wij naar de bushalte, die ons naar dat plaatsje zou brengen. Het was, zo te zien wel een erg klein gehucht. Je zag zowat geen kip op straat en in mijn herinnering zag het er toch wel heel anders uit. Wij kwamen daar op een pleintje met boerenschuren en zowaar een brandweerloods. Er stond tenminste op een bord; “Feuerwehr” aangegeven. Het zou nog gek worden. Op een deur van dezelfde brandweerloods was een bordje bevestigd. “Standesamt” stond er.
Nou ben ik toch wel zo knap, dat ik wist dat het mogelijk moest zijn om daar bij dat “bevolkingsregister” enige “Auskunft zu bekommen”. Nou, inlichtingen konden ze ons daar blijkbaar wel geven, want gelukkig bleek het pietepeuterige kantoortje geopend voor lopende zaken. Wij naar binnen. Een stoffig heertje, misschien wel de burgemeester van het gehucht, wie weet, zat achter een redelijk groot bureau, net zoiets als ik vroeger op mijn werk gewend was, maar dit meubel was wat havelozer. Wij groetten de vriendelijke meneer en in mijn beste Oostenrijks vroeg ik, waar ergens de familie Augustin woonde. In de pupillen van zijn ogen verschenen grote, flitsende vraagtekens. Ehhhhhèèè??? Die kende hij niet, maar hij zou even “in de archieven duiken”. Er kwamen verschillende dozen met kaarten op tafel, waaraan je wel kon zien, dat de bevolkingsaanwas niet erg groot was. Na veel gezoek en heen en weergevraag bleek, dat hij ons “leider nicht helfen konnte”. Bij het nakeuvelen opperde hij de suggestie of wij misschien niet in Sankt Johann am Walde moesten zijn. Hij zei er tot onze schrik bij, dat het hier een afstand betrof van zo’n 350 kilometer. Nou ja, dat was dan waarschijnlijk de enige optie, maar in die vakantie zou ’t niks meer worden. Na veel “danke schön” en Grüß Gott liepen wij weer terug naar de bushalte. Ik geloof, dat wij nog een lange tijd moesten wachten, voordat de bus naar Lienz kwam.
Het eerste wat wij deden, was de weg vragen naar het Postkantoor, want we moesten toch ook nog vakantiekaarten versturen. In het “Postamt” was een rek met allemaal telefoonboeken. Dat kwam natuurlijk even mooi uit. Zo kon ik meteen kijken of het klopte, dat da familie Augustin in Sankt Johann am Walde woonde. Inderdaad, al gauw waren wij erachter waar ze woonden, want ook hun adres, inclusief “Postleitzahl” oftewel postcode stond erin. Ik heb de gegevens opgeschreven,….en er jaren niks mee gedaan. Een paar jaar geleden besloot ik het er eindelijk eens op te wagen en heb een brief geschreven. Helaas was Karl, de zoon, die later daar “der Bauer” was, een paar jaar eerder gestorven. Hij zou het erg leuk gevonden hebben, mij weer eens te ontmoeten. Hij had het er vaker met zijn gezinsleden over gehad. Zijn vrouw schreef heeft foto’s van vroeger gestuurd en veel van het oude kwam mij weer voor de geest. Ze schreef, dat zij en haar, inmiddels ook volwassen kinderen het erg leuk zouden vinden als wij naar ze toe kwamen. We waren “Herzlichst eingeladen”. Helaas zie ik dat niet zo gauw gebeuren, hoe graag ik het ook zou willen.
Duitse lessen
Het was nog niet aan de orde, dat wij met een kinderuitzending naar Oostenrijk zouden gaan. Maar tot ons geluk probeerde Moeder ons al in een vroeg stadium iets van het Germaans bij te brengen. Een kind leert gemakkelijker een vreemde taal dan een volwassene.
Ik herinner mij nog, hoe dat bij ons thuis ging. Aanvankelijk leerden wij thuis van Moeder spelenderwijs, eigenlijk te hooi en te gras wat Duitse woordjes en zinnetjes. Moeder was tenslotte in Duitsland geboren en het werd ons dus eigenlijk zo'n beetje van huis uit meegegeven. Zo vroeg ze eens aan mijn broertje Paul; "Gehtst Du mal Kartoffeln holen." Ze praatte zo’n beetje recht toe, recht aan Duits, zodat wij het dan beter zouden begrijpen, dacht ze. Prompt kwam hij triomfantelijk, in plaats van met aardappelen, met haar pantoffels aandraven. "Mai nee". Dat was een vaak gebruikte, ietwat vreemde term van mijn moeder, als zij zich ergens aan ergerde of ze riep: "Mai nee, verflickst noch mal”, zo kreeg Paultje dan te horen, hoewel hij nu helemáál niks begreep van wat hem werd toegeroepen. "Mai nee, verstehst Du dann ja gar nichts davon?" Hierna draaide ze zich naar mij; “Leo holst Du bitte mal Kartoffel.” Blijkbaar had ik dat vreemde woord al eens eerder ergens opgevangen, dus kwam ik even later triomfantelijk met een mandje aardappelen aanzetten. Dit natuurlijk tot grote tevredenheid, van Moeder, maar hierdoor voelde bijdehante Paul zich 'n beetje in zijn hemd gezet. Logisch dat hij mij toen giftig aankeek. Zo trachtte Moeder ons iets "smeuïger" de Duitse taal bij te brengen. Er werden vaak overdreven "aangedikte" termen gebruikt. Er werden kromme termen gebruikt, die normaliter niet in het Duitse vocabulaire gebezigd werden. De woordvolgorde verschilde in ieder geval met de werkelijke zinsopbouw.
Er waren dagen, dat mijn moeder bijna geen woord Nederlands sprak. Wij moesten maar proberen het te begrijpen en zo vlot mogelijk in het Duits antwoorden. In de loop van de oorlog raakten wij natuurlijk wel iets méér onderlegd in het Germaans. Naderhand kregen Paul en ik de gelegenheid, ons beter in de Duitse taal te bekwamen. Dat was eerst in 1942 het geval tijdens een kindervakantie naar het dorp Sankt Johann am Walde, in Ober-Österrreich. Ook in de laatste drie oorlogsjaren kregen wij de opgelegde gelegenheid, de Duitse taal wat uitgebreider te leren.
Sankt Johann am Walde
Het was in de zomer van, ik geloof 1942 toen broertje Paul en ik, "om aan te sterken" met een grote groep kinderen naar de "Ostmark" (Oostenrijk) gestuurd werden. Vader lag in die tijd in een Lazarett in de Harz. Het waren natuurlijk alleen kinderen van “gelijkgerichte” ouders die aan de reis deelnamen. Andere Nederlandse kinderen kregen niet zo’n mooie vakantie aangeboden. Na een lange en vermoeiende reis arriveerden wij uiteindelijk ergens in het noordelijkste deel, in Ober Österreich in het kleine boerendorpje Sankt Johann am Walde en daar werden we een aantal maanden gastvrij in boerengezinnen opgenomen.
Van de aankomst daar in dat afgelegen, doch pittoreske dorpje kan ik mij niet alles meer herinneren, maar het scheen, zo blijkt uit het verhaal van Paul, dat wij, de twee broertjes in eerste instantie uit elkaar gehaald zouden worden. De boerinnen waren onderling al begonnen, "de buit te verdelen". Paultje was door Frau Augustin al uit de groep gehaald en ik stond nog braaf te wachten om ook door haar ertussenuit geplukt te worden. Blijkbaar zag zij dat echter anders, dus Paul zei dat hij niet met de boerin mee wilde, hij wou bij zijn broertje blijven. Wij leken (trouwens nog steeds) "voor geen meter" op elkaar, niet qua karakter maar ook ons uiterlijk is totaal verschillend. Broertje Paul had een rond, zeg maar Germaans blond koppie, terwijl ik meer een smaller gezicht had met donker, bijna zwart haar. Tot in het eerste deel van de oorlogsjaren waren wij praktisch altijd in elkaar's buurt te vinden, waar Paul was, was ik en waar ik was kon je Paultje vinden. Totdat een paar jaar later diezelfde rotoorlog ons ver uiteen dreef.
Maar om even bij dit deel van het verhaal te blijven, er was dus wel enig ongeloof in de ogen van het boerinnenvolk, toen Paul zei dat wij broertjes waren. Hij viel beter in de smaak bij het "Bauernvolk" door zijn uiterlijk en blonde koppie, zodat hij blijkbaar meer Oostenrijks leek dan ik met mijn blijkbaar nogal zuidelijke voorkomen. We hadden echter allebei dezelfde vader en moeder. Wij hadden allebei eenzelfde, door onze moeder genaaid blauw jasje aan en daar wees Paul ze in zo goed mogelijk Duits op en het scheen, dat zijn aangedragen argument betreffende de jasjes als identificatiemiddel volstond. Vanzelfsprekend was er met ware "Deutsche Gründlichkeit" voor degelijke reispapieren gezorgd. Door zijn besliste mededeling, dat wij bij elkaar wilden blijven, werd ik uiteindelijk ook geaccepteerd en wij werden toen op een grote boerenwagen meegenomen. Deze grote hooiwagen werd getrokken door een nogal vurig paard en een kalme, slome os. Het paard liep links en rechts sjokte de os. De knol wilde wel sneller lopen, maar het rund liep in een kalmer tempo en was niet tot een vlotter tempo te verleiden. Zo ging er nogal wat tijd overheen, voordat wij de boerderij bereikten. In ieder geval hadden wij de tijd om bij het mooie weer de prachtige omgeving eens goed te bekijken.
Familie Augustin
Wij konden ons, ondanks de “stoomcursus” van Moeder, in die tijd nog maar matig in het Duits uitdrukken. Dat boerendialect was voor ons maar moeilijk, of zelfs helemaal niet te verstaan, dus Moeders lessen droegen weinig bij tot een vlotte conversatie. Gelukkig leren kleine jongens snel en wij hadden dus al gauw wat minder moeite met dat “plattelands in de bergen”. Het boerenechtpaar Augustin had slechts één kind, een zoon. Hij was ongeveer drie jaar ouder dan ik en een jaar ouder dan Paul. Het was een aardige, eenvoudige Oostenrijkse boerenknul, die maar weinig of niets van ons begreep en zich aanvankelijk dan ook, ietwat verlegen van ons distantieerde. Er was voor hem dan ook niks te verstaan van ons vreemde koeterwaals. Paul en ik waren, zoals gezegd toen nog niet zo heel erg bedreven in de Duitse taal. Onze ratelende gesprekken in het enigszins platte en radde Haarlems waren natuurlijk omgekeerd óók echt niet te volgen voor de boerenzoon, maar ook niet voor zijn ouders. Ik trok er na een paar dagen dan ook meestal alleen met mijn broertje Paul op uit in dat schitterende boerenland. Dat is toen, gedurende de eerste tijd van ons verblijf ook even zo gebleven, omdat Karl ons toch niet verstond of op zijn minst maar begreep. Onze pogingen, hem in gebroken Duits iets duidelijk te maken, mislukten faliekant en zijn platte dialect was voor ons werkelijk onverstaanbaar. Maar het moet gezegd, in de loop van ons verblijf in Sankt Johann am Walde leerden mijn broertje en ik steeds meer van dat plaatselijke koeterwaals. Niet dat het tot een vloeiende uitspraak kwam, maar wij begrepen tenminste wat er bedoeld werd. Zo kwamen Karl toch al vrij gauw tot elkaar. Wij gingen gezamenlijk op ontdekkingstochten door de fraaie omgeving. Soms echter gingen wij kijken op een andere Bauernhof, waar ook reisgenootjes uit Nederland waren ondergebracht. Daar kon je dan spelen en je ook weer eens een beetje in het Nederlands verstaanbaar maken. Het was dus een leuke onderbreking van de inspanning, om je steeds in het Duits te moeten proberen uit te drukken.
“Ajne Ajme Woasse hohlen”
Wij hadden echter wel grote bewondering voor de tanige Boer Augustin, want hij was een echt buitenmens en enig gevoel voor humor kon hem niet ontzegd worden. Het was, zoals gezegd voor ons soms wel moeilijk, zijn platte dialect te verstaan en te begrijpen. Hij vroeg ons, of we het leuk vonden, af en toe kleine klusjes op de boerderij te doen. Nou, daar hadden wij natuurlijk geen bezwaar tegen en hij vroeg eens, toen wij nog maar pas begonnen waren de boerderij en omgeving een beetje te verkennen, of wij even “ajne ajme woasse” bij de pomp wilden gaan halen. Toen hij, terwijl hij met zijn kromme pijp in de hand naar de pomp in de verte wees, in dat vreemde platte taaltje sprak begrepen wij hem toch wel vrij gauw wat hij bedoelde. Mede eigenlijk doordat wij de pomp in de verte zagen staan en omdat wij wel wisten, dat er in een emmer meestal wat vloeibaars vervoerd kon worden. Door zijn geluiden, zijn aanwijzingen en Moeder’s talencursus was het ons niet helemaal vreemd, wat hij bedoelde. Nou, wij wilden ons graag verdienstelijk maken en ons van onze beste kant laten zien, vooral in het begin, toen wij maar net gearriveerd waren. Dus daar gingen wij dan met een grote zinken emmer tussen ons in. Maar zoiets kenden wij eigenlijk nog niet zo goed, een pomp. Ja, we hadden er wel eens een gezien en wisten waarvoor hij diende. Maar wij hadden thuis in de keuken een gewone kraan. Die hoefde je maar open te draaien om fris water te laten stromen. Het kwam ons eigenlijk wel vreemd voor, dat die pomp zo'n eind van de boerderij verwijderd stond, maar daar zochten wij verder eigenlijk niks achter. Ja, je kon toch niet weten, hoe ze in dat land die dingen regelen? Toen we de pomp bereikten zetten we de emmer er onder en Paul, de eeuwige initiatiefnemer begon te zwengelen. Maar het duurde wel erg lang, voordat er iets in de emmer kwam. Wij dachten, dat de pomp droog stond. Met een rooie kop pompte Paultje verder, in de hoop, dat nou toch maar gauw het verlangde koele vocht zou opborrelen, want hij wilde Bauer Augustin niet teleurstellen. Ik vroeg; "Zal ik nou 's effe pompe?" Maar hij liet zich natuurlijk niet kennen en zwengelde onvermoeibaar door. Ik hield mijn oor bij de tuit van de pomp om te horen of er al water onderweg was. En ja hoor, er kwam plotseling een vreemd borrelend geluid. Wisten wij, stadsjongens veel hoe zo'n waterpomp werkt! Nu kwamen wij er dus meteen achter, dat er volksstammen waren die op een andere wijze water moesten zien te bemachtigen dan wij thuis gewend waren. We waren erg opgelucht, dat we eindelijk eens resultaat zouden hebben. Toen was er ineens een fluitende luchtstroom te horen, dus het water zou niet lang meer op zich laten wachten . . . Paul slaakte een zucht, toen er door die suizende geluiden eindelijk enig teken van leven merkbaar werd. Het suizen werd sissen en het geluid werd steeds sterker en ging over in fluiten, terwijl Paul met de piepende zwengel in de weer was. Wij waren nergens op voorbereid en het viel ons op, dat er plotseling wel een rare, stinkende lucht hing. Waar zou dat nou toch vandaan komen? Het leek wel bedorven koeienmest . . . Wat een vreselijke stank zeg! En toen, héél plotseling plensde er met spetterend geluid vies, donker blubberig vocht uit de pomp in de emmer en dat zag er beslist niet uit als water! Het kletterde en spetterde verschrikkelijk. Ffffletsss, flatsss!!! Ons gezicht moet boekdelen gesproken hebben. Alsof wij water zagen branden, nee alsof wij een oliebron hadden aangeboord. Zo moeten wij hebben gekeken! Uit die pomp kwam helemaal geen water, zoals wij terecht verwachtten, maar koeienmest, klinkklare stront! Dunne gier was het eigenlijk en er kwam een lucht uit die pomp. . . . , nee verschrikkelijk! En het stroomde niet alleen in de emmer, ook wijzelf zaten onder de spetters. “Hou nou op met zwengelen!!!!” riep ik toen mijn broertje verbrauwereerd bleef doorpompen. Hij hield op met pompen, maar de strontstroom, eenmaal op gang gekomen, hield ook niet zomaar direct op, toen Paul de pompzwengel stil hield. Stop nou met pompen!!!! gilde ik. Ik bèn gestopt!!!!, dat zie je toch!!! Intussen hield Paul krampachtig de pompzwengel vast, alsof hij de vieze drek op die manier zou kunnen afremmen. Voordat wij het wisten, was de emmer bijna gevuld met die stinkende bruine brei. Tot onze opluchting stopte de stroom vuiligheid net zo abrupt als het begonnen was. In de verte stonden de Bauer en zijn zoon Karl te lachen en te schateren. Eindelijk wist ik nou eens hoe een boer lacht. Boer Augustin lachtte nou niet bepaald als een boer met kiespijn. Nee, de heer Augustin lachte beslist niet als een boer met kiespijn en hij had ons werkelijk mooi te pakken genomen. Je moest in dit geval eens naar broertje Paul kijken. De uitdrukking op míjn gezicht zal óók niet zo veel anders geweest zijn. In onze verbouwereerdheid waren wij nog zo gek, die bijna volle mestemmer naar de, zo'n veertig meter verderop gelegen boerderij te zeulen, er voor oppassende, dat de inhoud niet ging klotsen. Toen wij eindelijk bij de boer gearriveerd waren, nam hij de emmer over en gooide grinnikend de inhoud onder een boom. Het was een hele klus, die emmer met vieze drab naar de boerderij te zeulen. Hadden wij ons nou dáárvoor zo uitgesloofd? Ik heb er nog over gedroomd. Toen wij na een lange treinreis eindelijk weer thuis waren in Haarlem, kon ik met zekerheid vaststellen, dat er uit onze keukenkraan niet diezelfde vieze koeienmest kwam.
“Frau Augusssjjjtien”
De boerin was dacht ik, toch wel aardig, maar dan met een gemoedelijke norsheid. Er was tussen haar en ons een enorme taalbarrière en wij begrepen haar dan natuurlijk ook niet altijd meteen. Frau Augustin was nog moeilijker te verstaan dan de boer en zijn zoon Karl. Ze had een nogal “vochtig spraakgebrek”, vonden wij. Iedere smeuïge “s” sprak zij uit met daarbij een “j”. Daarom kon het natuurlijk niet uitblijven dat ze bij Paul en mij weldra: “Frau Augusssjjjtien” heette! Uiteraard alleen als zij niet in de buurt was. Maar we hebben ons vaak “tranen met tuiten” gelachen en 't deed zó’n zéér, als we heimelijk moesten lachen in haar bijzijn, ze mocht er niks van merken. Ze hadden ook nog een takshond met de vreemde en “noodlottige” naam; “Tschiegel” Als dan Frau Augusssjjjtien het hondje riep, dan klonk het met gillende stem; “Tssschjjjíííííééégèlllll . . . komm!!! . . . . komm hia!!! . . . Tssschjjjigèl!!!” Ja, ze had een echte sirenestem. Het klonk eigenlijk net of de boerin een fluitend stoomlocomotiefje nadeed. Volgens mij was het de boer, die bewust die stomme naam voor dat lieve beest gekozen had, . . . kon ie óók nog 's lachen. Wij waren ‘s morgens altijd vroeg uit de veren, want op de Bauernhof was, buiten het rammelen met een paar melkbussen, genoeg te beleven. Niks wilden wij in die paar weken dat wij daar verbleven, missen van het rijke, prachtige boerenleven. Op een morgen zagen wij, dat Frau Augusssjjjtien, nog gekleed in haar vormeloze nachtpon, vanaf het slaapkamerbalkon haar nachtspiegel (po) met een zwierige zwaai leegde op de mestvaalt beneden op het erf. Lekker fris zeg! Goed dat wij die plek net gepasseerd waren, want mogelijk hadden wij met een licht briesje ook een deel van de “zegeningen” geïncasseerd. Later ontdekten wij, dat dit ritueel iedere ochtend plaats vond. Wij keken in het vervolg heimelijk naar boven, als wij onder het balkon door, de mesthoop moesten passeren.
Ganzenwacht
Op diezelfde plek, daar bij die grote mestvaalt en verder op het erf en rond de boerderij was er nog wat, waarvoor wij goed moesten uitkijken. Er liepen twee enorme loeders van ganzen te paraderen. Een bruine en een spierwitte. Ze hadden alle twee zo’n “laag over de grond slepend kruis in de broek”, ten teken dat ze echt moddervet waren. Het is wel duidelijk, dat ze, zolang ze niet in de pan verdwenen, een uitzonderlijk goed werkende bewakingsfunctie hadden. Bij het minste of geringste onraad begonnen zij luid te sissen, te kwaken, te gakken, te gieren en te blazen. Wij stadsjongens waren er werkelijk als de dood voor. Echt enge beesten waren het. Naast hun geweldige volume boezemde ook hun opengesperde snavels en hun gemeen dreigende blik veel ontzag in. En dan die priemende kraaloogjes. Die beesten leken wel speciaal op ons tweetjes “een kijkje” te hebben, ze kwamen blazend, héél langzaam sluipend met van die kleine dreigende stapjes op ons af, als we maar in hun buurt durfden te lopen. Eng hoor. Direct als ze ons ontwaarden kwamen ze onze richting uit en dan gingen van allebei die loeders de nekken met opgezette veren vooruit en de koppen laag tot bijna op de grond en daarbij wezen de even geopende snavels omhoog in onze richting. Als ze dan op ongeveer drie meter bij ons vandaan waren, werd hun sisgeluid heviger en af en toe kwam er tegelijk met het sissen een verwaand kreetje. Mijn broertje en ik draaiden ons dan schielijk om en liepen nogal verstard, maar niet te snel weg. We hadden ergens gehoord, dat je niet hard moest weghollen, want dan kwamen die monsters achter je aanfladderen en was het leed misschien niet te overzien. We durfden niet om te kijken, maar dachten dat de “lieverdjes” elk moment in onze mollige blote kuitjes zouden willen happen. Dat is gelukkig nooit gebeurd. Maar als we weer op avontuur over het erf of rond de boerderij gingen, keken wij voortaan wel goed uit of die gedrochten in de buurt waren. Als wij dan op enige afstand tevreden gegak hoorden, was er geen kwaad meer te duchten.
Wij konden dan bijtijds een alternatieve route kiezen. Paul en ik, dierenvrienden als wij waren, hadden in de kortste tijd een geweldige hekel aan die enorme verenballen gekregen. Het zal wel Kerstmis van dat jaar geweest zijn, toen wij allang weer thuis in Haarlem waren, dat zij daar op die “Ober-Österreichische Bauernhof” met de poten omhoog in een enorme braadslee lagen. Ruimte zat in die buitenoven, daar voor de deur van de boerderij. Nou, niks voor mij dus, want ik houd niet van gevogelte, althans het consumeren daarvan. Maar het verhaal over pluimvee, tijdens ons verblijf daar in de “Ostmark” gaat nog wel even verder.
Kippenleed
Wij hebben daar in Oostenrijk toch ook wel dierenleed meegemaakt. Nu ik het toch over gevogelte heb, op een dag, toen Paul ergens anders bezig was, zag ik de boer lopen, een kip vasthoudende bij de poten, terwijl de vleugels wild fladderden. Als echte dierenvriend toonde ik grote interesse voor dat tafereel. Ik vond het echter maar een vreemde manier om zo een kip te dragen. Nieuwsgierig ging ik achter boer Augustin aan. Toch maar raar hoor, vond ik, zo houd je toch geen kip vast! Maar ik, simpele stadsjongen als ik was, wou toch wel het een en ander leren van het boerenbuitenleven. Misschien was dat “arreme kippie” wel ziek en ging de boer ermee naar de dokter. Niet dus, zo bleek al gauw . . . Bauer Augustin nam met zijn vrije hand een hakbijl en legde de kip met zijn kop op de stenen drempel van de boerderijdeur aan de voorzijde van het huis. Toen ging de bijl een eindje omhoog en daalde met kracht op het tere nekkie van de kip. . . . Dat was schrikken. . . . Niet voor de kip, maar voor mij. Het kwam bij mij in mijn onschuldige zieltje dan ook erg hard aan. . . . Zou de kip dood zijn? . . . In ieder geval kon Boer Augustin op dat moment in mijn ogen niet meer zo veel goed doen. Tot overmaat van ramp gooide de boer de kip met een reuze armzwaai een heel eind van zich af. . . . Tot mijn niet geringe verbazing begon me die kip toen toch te rennen, . . . . te rennen!!! Het beest leefde dus toch nog! Ik voelde al iets van opluchting. En die kip bleef maar doorrennen. Wat maakte zij toch rare bochten! Ik keek eens naar de boer die daar stond te lachen. “Nou,” dacht ik, “dan komt het dus toch nog goed met deze kip”. Ik vond het wel gek, dat de kip helemaal geen geluid meer gaf. Nu kwam het beest plotseling mijn kant oprennen en begon toen hevig te waggelen. Toen zag ik opeens, dat de kop van het beest er maar zo'n beetje bij bungelde. Nou, dat kon natuurlijk ook niet gezond zijn! Was de boer nou niet bezorgd om dat arme beest? Nee hoor, hij bleef maar lachen. Ik snapte er geen jota van. Tot mijn schrik bleef de kip zo'n drie meter van mij vandaan plotseling liggen. . . . Dood!, zo bleek al gauw. De boer raapte het levenloze gevogelte van de grond en ging ermee door het huis naar het binnenerf. Daar ontfermde de dikke Frau Augustin zich over het gevogelte. Zij plukte de kip helemaal kaal en toen het koploze beest eindelijk met haar bloedende nek in haar nakie lag werd zij door de boer meegenomen naar het erf en daar verder geslacht. Ik kon het echt niet meer aanzien en ben weggerend. Nooit heb ik meer kip willen eten! En nòg steeds hou ik niet van kippenvlees…
Zwijnerij
Toen wij wat gewend waren op de boerderij zochten wij andere bezigheden. Wij voerden de kippen, veegden stallen of maakten varkensvoer klaar. Dat laatste was heel leuk werk. Op het erf stond, naast de ingang van de koeienstal, op een schraag een soort handzwengelmolentje. Appels met rotte plekken werden daarin gegooid en dan moest er gedraaid worden. De appelen veranderden in pulp en onder uit de molen stroomde het appelsap zo maar weg. Dat vonden wij, de twee gastbroertjes natuurlijk echt zónde en daarom werd al gauw aan Frau Augustin om een kan gevraagd. Binnen de kortste keren was die vol en hadden wij een prachtige dorstlesser. Wij hebben zo dan ook heel wat appelsap tot ons genomen. De appelenpulp deponeerden we in een houten emmer en brachten dat, onder het balkon door, langs de mestvaalt en uitkijkend voor de enorme ganzen, naar de andere kant van het grote erf. Daar bevond zich, onder een buitentrap de toegangsdeur naar de varkensstal. Deze beesten hadden dus, tot zekere hoogte nog een goed leven. We hebben in de tijd van ons verblijf daar in Oostenrijk heel wat van die appelpulp aan de varkens gevoerd en hadden doorlopend zelf genoeg te drinken.
Operatie
Je maakte vreemde dingen mee op de boerderij, ervaringen die je in de stad niet beleefde. Ik had het al eerder over dierenleed en nogmaals waren mijn broertje Paul in ik getuige van een vorm van “beestachtigheid”. Op een dag kwam namelijk de plaatselijke veearts om een aantal mannelijke biggetjes zo bleek later, wat minder mannelijk te maken. Het fijne wisten wij daar natuurlijk ook niet helemaal van. Bauer Augustin moest gaan zitten, met zo'n big op schoot. Het achterwerk moest naar voren gericht zijn. (Niet van de boer natuurlijk, maar van de varkentjes.) Daarbij moesten tegelijkertijd alle vier de pootjes vastgehouden worden, zodat de diertjes geen kant meer op konden. De veearts kerfde, rits, rats, twee diepe sneden over die plek en haalde tegelijkertijd de "bougies" eruit. Daarna smeerde hij een teerachtige substantie over de naar voren gerichte achterdeeltjes van de zwijntjes. Deze handelingen brachten de jonge diertjes bepaald niet in extase en van een jubelstemming was natuurlijk geen sprake. Het gekrijs was dan ook oorverdovend, wat ik mij natuurlijk wel kon voorstellen. Het ene dier op de boerderij wordt mishandeld en geeft geen kik meer, maar overleeft het ook niet. (De kip). Andere dieren worden gekweld en zetten een keel op en zullen voor aan minder aangenaam doel moddervet worden! (De varkentjes). Alle boerderijdieren, met uitzondering van de kat en de hond, blijken uiteindelijk in de pan te belanden. Wij stadsjongetjes vonden wel dat er dus veel dierenleed op de boerderij bleek te zijn. Direct na de operatie werden de biggetjes op het erf losgelaten, toen nog niet in het geringste besef, dat een bepaalde toekomstfunctie vanaf dat moment minder interessant voor ze zou worden. Spek zonder bijsmaak werd er verwacht, véél spek en géén nageslacht. Ja, spek hebben wij daar veel gegeten, herinner ik mij. Ze hadden daar dan ook genoeg varkens in de stal rondlopen.
Paarden op de boerderij
Bauer Augustin had ons ten strengste verboden, ooit de deur van de stal naast die van de varkensstal te openen. “Gefährlich!” Nou, dat wilden wij best geloven, want wij hoorden vaak een hels kabaal en gebonk achter die deur. Als wij over het erf liepen, gingen wij altijd op veilige afstand langs die gesloten deur. Als er nou veel lawaai was, verplaatsten wij onze route naar de andere, veilige kant van het grote erf. Maar de waarschuwing van de boer maakte ons toch wel erg nieuwsgierig en wij zochten al gauw een mogelijkheid om toch te kunnen ontdekken wat er zich achter die deur afspeelde. Buiten, langs de wand van de varkensstal was een open buitentrap zonder leuning naar een platvormpje zonder hekwerk. Daar was, precies boven de deur van de varkensstal, een andere deur. Toen de gelegenheid zich eens voordeed, klommen Paul en ik stiekem naar boven en wij openden de deur die toegang bleek te geven tot een grote, leegstaande zolder. Aan het andere eind van die zolder, niet meer boven de varkensstal, ontdekten wij een gat in de houten vloer. Daardoor gluurden wij naar beneden en zagen in een prachtig paard staan. Eerst hielden wij ons nog stil, want het was nogal spannend, vonden wij. Maar al gauw riepen wij door het gat naar het dier. Daar scheen hij erg van te schrikken, want de hengst begon wild te steigeren. Daar deinsden wij eerst wel van terug, maar al gauw kregen wij wat meer moed. “Pssst” deed Paul maar hij schrok zich wezenloos toen de hengst op zijn achterbenen ging staan en heel dicht bij dat gat erg woest naar ons keek. Wij vonden het natuurlijk prachtig, maar ook wel erg eng. Af en toe slopen wij nog wel eens langs die buitentrap naar boven om naar dat wilde paard te kijken. Het was voor ons, stadsjongens wel duidelijk, dat er, naast de stier en de ganzen wel meer gevaarlijke dieren op de boerderij leefden. Het paard was in de tijd dat wij op de boerderij verbleven blijkbaar nog nooit buiten geweest. Zielig. Zoals gezegd, er was een paard dat, als dat nodig was, samen met de os de grote wagen trok. Het was een ander, rustiger dier en stuk handelbaarder dan dat wilde beest daar achter die staldeur. Maar ook het trekpaard scheen op z’n tijd zijn kuren te hebben. Wij zijn eens met Bauer Augustin meegereden en toen mocht Paul de leidsels vasthouden. Het was prachtig weer en langs boerenweggetjes reden wij naar de velden. Plotseling werd het paard wild. Hij was blijkbaar ergens van geschrokken en wou op hol slaan. Waarschijnlijk een opvliegende fazant of zoiets. Paultje trok uit alle macht aan de teugels en het zweet droop van zijn voorhoofd. Het beest stond op zijn achterbenen en sprong van links naar rechts. Op hol slaan was er echter niet bij, want de knol had buiten zijn maatje gerekend. De os stond stil en keek lodderig voor zich uit. Het paard, hoe graag het ook wou, redde het niet om er vandoor te gaan want dat rund naast hem was niet te verleiden tot overdreven inspanningen. Toen de boer het paard met sussende woordjes tot bedaren had gebracht nam hij de teugels grijnzend van Paul over. Die zat nog een hele tijd na te bibberen.
Runderromance
Rechts op het erf waren de stallen voor het rundvee, maar achter de eerste deur bevond zich de fokstier, een enorm beest. In zijn neus had hij een ring en hij had een dikke ketting om zijn nek. Als hij zo vredig in zijn stal stond, was hij de kalmte zelf. Er kwamen boeren uit de nabije of verre omgeving, die de tijd rijp achtten voor een "scharrelpartijtje" tussen een van hun koeien en deze wel héél stoere bullenbink. Ja, dan was het met diens kalmte weldra gedaan. Een der naburige agrariërs kwam dan met zijn koe het erf op en zorgde ervoor dat het koebeest in de goede richting stond. Dan werd de deur van de stierenstal opengezet. Op dat moment barstte de hel los! Nog vóórdat de ketting was losgemaakt, had de stier die al gebroken en was met gezwinde spoed op weg naar het vrouwelijke rund, dat hem met een bezoek kwam vereren en daar zo verleidelijk stond te staan. De stier gaf 'm direct hevig en stevig van katoen. Na zijn kortstondige maar felle escapade sukkelde mijnheer weer dromerig en in een kalm gangetje naar zijn stal terug, zonder het gebruikte lustobject ook nog maar een blik waardig te keuren. De koe aanschouwde de wrede wereld met lodderige ogen, maar haar extase werd ruw verstoord want ze kreeg plotseling een flinke emmer koud water over haar rug en er werd toen ook nog even stevig met een stok over haar ruggengraat geragd. Waar dat voor nodig was weet ik niet, maar daar móést ze wel wakker van worden. Ach ja, je beleefde van alles daar in en om die Oostenrijkse boerderij.
Op jacht
Wij, Hollandse broertjes zouden getuigen zijn van nog meer dierenleed. Op een avond kwam er een grote groep boerenvolk en knechten bij elkaar, bijna allemaal voorzien van grote, dubbelloops jachtgeweren. Ze gingen op jacht, zoveel was wel duidelijk. Er waren ook grotere jongens bij, die kleppers mee hadden. De laatsten kregen, zo hoorden wij, de taak het wild op te jagen. Wij, de broers vonden het razend interessant en mochten ook even met die kleppers hameren, maar alléén in de huiskamer. Wij mochten níét mee op de jacht. Gelukkig ook maar. Achteraf was dat dan ook een goede beslissing van de boer, want zo prettig was dat “evenement” niet. Het kon ook knap gevaarlijk zijn in die bossen met al die geweren, enne…, voordat de mannen tegen de schemering vertrokken werd er eerst een stevige borrel gedronken. Wij lagen al lang in bed in het ruwhouten zolderkamertje. De avond was al vergevorderd en we waren al ingeslapen na de avonturen van die dag. Het was stikdonker toen de jagers eindelijk weer terugkwamen. Wij werden boven wakker van het kabaal. Er zullen toen natuurlijk er ook wel weer stevige slokken genomen zijn na de geslaagde jacht. De volgende morgen was overal in het benedenhuis het resultaat van de jacht duidelijk waarneembaar. De jachtbuit was onder de jagers en de klepperaars verdeeld. Overal lagen veren en bloed. Op de tafel van de huiskamerkeuken lagen een aantal fazanten en hazen. Op de plavuizen lag een groot hert met nog geopende, zielige ogen, tong uit de bek. Ik vergeet het mijn leven lang niet meer. Er hing een vreemde, onaangename geur door het hele benedenhuis. Op die boerderij werden wij, niet voor het eerst in ons jonge leven (na de eerder vermelde “kippenmoord” en de biggetjesoperatie) nadrukkelijk geconfronteerd met dierenleed. Ook op het werkterrein van mijn vader op het Haarlemse Openbare Slachthuis hebben wij, Paul en ik, het slachten van dieren meegemaakt. Ik heb het nooit een “prettige aanblik” gevonden en houd er nog steeds niet van. Niet zo héél veel later zouden mijn broertje en ik het, ieder afzonderlijk wel erger meemaken en dan betrof het niet alleen dieren.
Dorp en omgeving
Van de oorlog was daar in Sankt Johann am Walde en omgeving gelukkig weinig of niets te merken. Je zag er geen militairen, voor zover ik mij herinneren kan. De Oostenrijkers waren over het algemeen fanatiek Duitsgezind, maar daar in de buurt was er werkelijk niet veel van de oorlog te merken. Wij gingen vaak wandelen in de wijde omgeving. Prachtig was het daar. Bossen, heuvels, beekjes, akkers en weiden. Op de achtergrond waren de lagere heuvels en bergen van Ober Österreich. We maakten er vaak verkenningstochten door de bossen met overal op de grond vele dennenappels en door de groene weiden met koeienvlaaien. Je kwam je altijd wel boerenmensen tegen. "Grüß Gott" groette je dan, dat hadden wij al gauw geleerd. De flora was er overdadig. Prachtige bloemen, planten en bomen waren er en ook was er van de fauna veel waar te nemen. We hebben veel wild gezien. Bij onze nadering gingen hazen en konijnen snel op de loop. In de verte kon je aan de bosrand herten en reeën waarnemen die je, tegen de wind in probeerde te naderen. Tot je schrik kon er plotseling een fazant vlak voor je voeten uit het hoge gras opvliegen. Hoog in de lucht vlogen vele soorten roofvogels. Er waren ook veel insecten te zien en ik herinner mij nog de vele soorten sprinkhanen. Paul vond het een leuk spelletje om deze beestjes te vangen en uitgebreid te observeren. Hij liet ze daarna altijd weer vrij. Ik herinner mij ook nog, dat daar langs de weg naar het dorp, nadat wij een oude veldkapel waren gepasseerd, een grote hangende grasmat tegen een heuvel was met daaraan een bijna loodrecht omhoog groeiende dikke berkenboom. De grond onder het gras en de boom was afgegraven of door erosie verdwenen en je kon zo tegen de onderkant van het gras en de boomwortels aankijken. Vreemd, die boom had verder geen houvast en moet al lange tijd in deze stand daar gegroeid zijn. Toch stond (hing) alles er fris bij, een mooi groen hangend grastapijt in de zon, met daar tegenaan die prachtige rechtopstaande witte berk. Er waren in de omgeving ook vele snelstromende, klaterende, heldere beekjes. In en langs die stroompjes lag het bezaaid met kleine en grotere keien en kiezelstenen. “Vuurstenen”. Wij sloegen zulke stenen tegen elkaar, zodat de vonken eraf schoten en dan zat er een bepaalde geur aan. Het ketsende geluid was ver in de weide omgeving galmend hoorbaar. En ook 's avonds hoorde je rond de boerderij en op het erf het tegen elkaar slaan, want in het donker zag je de vonken natuurlijk beter. Iedere avond gingen wij lekker moe naar bed. We hadden dan weer vele indrukken opgedaan. In de grote woonkeuken werd gegeten aan een ruwe tafel. Er werd gegeten van vrij grof servies en het zwaar ijzeren boerenbestek was voorzien van zwart, houten heften. Als je de hele dag op avontuur geweest was, werd zo’n maaltijd altijd als een waar feest ervaren. Het kook- en bakwerk van Frau Augustin kon ons niet ontevreden stemmen. Nee, over wat wij te verorberen kregen, hadden we niets te klagen.
Koken en bakken
Het was natuurlijk wel vreemd en veel anders dan bij Moeder thuis, maar toch hadden wij er niet veel moeite mee, vooral niet nadat wij de hele dag buiten op avontuur geweest waren. We kregen nogal zwaar voedsel te eten en kwamen dus echt niet van honger om. Er werd zelf brood gebakken in de oven die voor het woonhuis stond. Heel wat bakplaten gingen de oven in en lekker dat het rook! De typische, eigen gebakken zachte, vette broodjes die ’s middags gegeten werden smaakten uitstekend, vooral omdat wij daar gewoon mee in de zoete koffie met melk mochten dopen. Er moest hard gewerkt worden op de boerderij en op de velden, dus de hoofdmaaltijd was iedere dag steeds weer echt stevige pot. Wij, stadsjongens waren niet doorlopend echt van die harde werkers, hoewel wij ook eens geholpen hebben bij het hooien. Dat was echt wel zwaar werk bij dat warme weer, maar wij vonden het leuk om te doen. Grote schalen kwamen er op tafel, met groente, aardappelen, veel vlees en vette jus. Er was genoeg groente van eigen teelt en in de stallen stond genoeg vee om vlees te leveren. Het was trouwens jachttijd in de tijd dat wij er waren, dus we hebben veel wild gegeten, zoals hert, ree en everzwijn. Je zou niet zeggen dat het oorlogstijd was. ’s Avonds zaten wij bij het licht van een hangende olielamp met zijn allen gezellig op de banken die rond de grote tafel in de hoek van de kamer stonden. Er werd over van alles gekletst, maar Paul en ik konden niet alles verstaan van dat vreemde koeterwaals. We lachten maar mee als er blijkbaar wat grappigs gezegd was. Vaak kwamen er buren langs. Ze hadden het over dingen die wij niet begrepen. Dat zware dialect ging ons natuurlijk helemaal boven onze pet. Onze aandacht ging op die avonden vaak uit naar de sjirpende krekels die in het halfduister tegen de ruwe muren hun avondconcert uitvoerden. Mijn moeder zou bij het waarnemen van deze insectjes al gauw de vliegenmepper gepakt hebben. Hier, in die ruwe boerenkamer waren die onschadelijke beestjes heel gewoon.
Fruit was er genoeg
Op de enorme zolder was een aparte ruwhouten ruimte die als slaapkamer was ingericht. Waarschijnlijk was die voor seizoenwerkers. Nu sliepen Paul en ik er. Buiten de slaapkamer was het daarboven een heel grote zolder. Enorm wat een ruimte! Er stonden veel hoge rekken met gedroogde appelpartjes die dan ook ruim voorradig waren. Het zal me een klus geweest zijn, al dat fruit te schillen en in partjes te snijden. Ja, Frau Augusssjjjtien had er erg haar best op gedaan de rekken te vullen en Paul en ik wilden dus niet achterblijven en hebben ons dagelijks ontfermt over een flinke portie. Mijn broertje en ik namen tijdens ons verblijf in Sankt Johann am Walde heel vaak de kans waar om de voorraad aan te spreken. Tegen de tijd dat wij uiteindelijk weer naar Nederland terug zouden gaan was de, toch eerst wel grote appelvoorraad die daar duidelijk voor de winter was opgeslagen, wel al flink geslonken. Meestal van de bovenste rekken en dan natuurlijk achteraan. Zoe was er voorlopig niets van te zien, wat wij allemaal achterover gedrukt hadden. Ik kan mij dan ook niet erg indenken, dat Frau Augusssjjjtien er blij mee geweest is. Wij rovers konden lekker onze gang gaan, want bijna niemand van de familie Augustin kwam in die tijd boven. Misschien zullen daar heel wat minder appeltaarten gebakken zijn dan de bedoeling was. Misschien hebben ze die hongerige jochies wel vervloekt om hun vraatzucht. Er was nog meer fruit! Beneden, in de gangkast bewaarde de boerin ook nog mispels, dat waren een soort rotte peren. Het gezegde is dan ook; “Zo rot als een mispel”. De peren zagen er niet uit! Echt totaal verrot en helemaal bruin. De schimmel ontbrak gelukkig alleen nog. Gek genoeg vonden Paul en ik, toen ons gezegd was dat ze zo lekker waren, dat gedegenereerde fruit een ware delicatesse. De boerin blijkbaar ook, anders werd dit verrotte fruit immers niet bewaard.
Terug naar huis
Onze bagage voor de terugreis naar Nederland was al ingepakt en ook kregen wij van Frau Augustin grote, zelfgebakken Kuchen mee. Dat maakte voor ons, jochies de bagage natuurlijk ook nog eens extra zwaar. Het bakwerk heeft onderweg in de trein erg veel te lijden gehad van het verplaatsen tijdens het meermalen overstappen en geschuif met de bagage, door ons en onze reisgenootjes. Toen wij na een lange reis doodmoe in Haarlem arriveerden, was het natuurlijk niet het eerste waar Moeder aan dacht, om onze bagage te gaan uitpakken. Ze was toen veel te blij dat we er weer waren. Toen er eindelijk wat meer tijd was om naar de inhoud van onze koffers en rugzakjes te kijken, was van de hele koekvoorraad alleen maar een groot pak droge brokken en kruimels over. Het smaakte niet meer zo vers, muf eigenlijk, dus het was hierdoor wel duidelijk, dat onze terugreis tamelijk lang heeft geduurd. Hadden wij al dat lekkers maar tijdens die lange treinreis opgegeten en aan de andere kinderen uitgedeeld. Gelukkig had Moeder zelf ook weer het nodige bakwerk verricht om onze thuiskomst te vieren en dat kreeg niet zo veel tijd om te verdrogen en te verkruimelen. Het moet wel even gezegd worden, we hebben echt een prachtige en onvergetelijke tijd gehad, daar in dat mooie Ober Österreich. Daar werden wij niet uitgescholden voor “vuile NSB-er” of “Landverraaier”. Er werd daar nooit op ons gescholden of met ons geknokt. Daar was de plaatselijke bevolking veel te vriendelijk voor. Maar om ook eerlijk te zijn, we waren toch wel heel erg blij dat we weer thuis, in onze eigen vertrouwde omgeving waren, ondanks het feit, dat de gemene plagerijen op straat en school weer in volle hevigheid werden hervat. Nu denk ik er dikwijls aan, dat ik graag wel weer eens naar die bergachtige contreien zou willen gaan, maar ik denk niet, dat het er nog van zal komen. Twee jaar na dat verblijf in Oostenrijk zou er voor Paul en voor mij, ieder apart nog een heel andere, minder leuke reis volgen, zonder iemand van ons gezin erbij.
Ik heb mijn boek over mijn jeugd van vlak voor, tijdens en na de oorlog nog lang niet af, maar dat Oostenrijkse, soms wel erg hilarische deel is al compleet en dat wil ik hier dan ook alvast publiceren.
Leo A. van Leeuwen








































.jpg)



.jpg)



.jpg)
.jpg)