Kinderen over 'foute' ouders

Lettergrootte:    
Eger
28-10-1944 tot 28-10-1945
Deel 3 van Herinneringen die gebleven zijn

De winter van 1944/1945 was de laatste oorlogswinter.
Altijd als ik in gedachten terugkijk op een veraf en in het buitenland gelegen oord, dan is de aardrijkskundige kaart daarvan mijn eerste geestesbeeld. In mijn geest bezie ik die kaart vanaf grote hoogte, als was ik God in de hemel. De landkaart doemt niet op en wordt overbodig als ik ‘het oord mijner gedachte’ ooit vanuit een vliegtuig in de diepte heb zien liggen, zoals bijvoorbeeld Kreta. Die wonderschone werkelijkheid laat zich in mijn herinnering niet door een kaart verdringen.
De landkaart, die in mijn gedachten opdoemt, als ik terugdenk aan de laatste oorlogswinter toont het hart van Europa, diep in Duitsland en biedt in het geheel geen opening tot schoonheid. Achter de kaart overheerst - als was het altijd nacht - de grauwe kleur van een bijna volledig verduisterde wereld, die zich verschool voor de niet aflatende kastijding door ontelbare bommenwerpers, waarvan de dreigende dreun de hemel vulde. Wat er van werd, werd zichtbaar gemaakt in het sinistere licht van schijnwerpers. Het wonder echter, dat ik over die verschrikking heb zien liggen, was het wonder van de eveneens niet aflatende zorg en toewijding van vrouwen. Later zouden zij ‘Trümmerfrauen’ zijn.

Die winter was ik met mijn Hollandse leeftijdgenoten in Oostenrijk op transport gezet. Na een eindeloze treinreis kwamen wij aan in een volledig in duisternis gehuld ‘Lager’ in Eger.
Ik had nooit eerder een concentratiekamp gezien en kon niet anders denken, dan dat dit zo’n kamp moest zijn; een indruk, die ik later toch weerlegd zou zien bij foto’s van echte concentratiekampen. De zeer lange barakken hadden een middengang met aan weerszijden grote kamers met britsen tweehoog uiteraard met stromatrassen en een deken. In Oostenrijk waren wij reeds gedrild in het onberispelijk opvouwen en strak opbergen van wat dan ook, dus ook die ene deken kreeg deze zorg toebedeeld. Een Duitse officier zag daarop toe.
Deze officier had zijn kamer aan de kop van de barak. Ik had al eerder meegemaakt, dat sommige officieren een persoonlijk tintje aan hun kamer gaven en er soms zelfs kleine huisdieren hielden. Onze officier ‘hield’ een juffrouw in zijn kamer, die ik nooit anders heb aangetroffen, dan - zeg maar - gereedliggend op zijn bed. Ik weet dit, omdat ik al de eerste dag door hem werd uitgekozen voor dagelijkse karweitjes. Omdat hij miniatuurscheepjes bouwde - ik vond ze prachtig - was één van mijn karweitjes het achterhalen van perspex. Ik ben geneigd mijn eigen herinnering niet te geloven, maar als het al bijna donker was sloopte ik dit perspex - dat toen dus ook al bestond - uit de cockpit van een afgedankte jager. Tengevolge van diverse beschadigingen kon ik zien, dat het toestelletje prachtig was opgebouwd uit vederlichte houten lamellen bespannen met doek. Door de aanwezigheid van dit vliegtuigje en het gedurig rondvliegen van een enkele Messerschmidt werd het mij duidelijk, dat ons kamp iets te maken had met een militair vliegveld. Op een glasheldere wintermorgen heb ik met verbazing staan kijken naar een rondcirkelende jager, die twee maal zo hard vloog als ik tot dan toe had meegemaakt en die gek genoeg geen propeller had.
En ook nu nog kan ik mij verbazen bij de gedachte aan die officier in zijn kamertje, die met overgave modelscheepjes bouwde, zich daarbij verzekerd wetend van de continue aanwezigheid van een juffrouw op zijn legerstede, terwijl vijandelijke legers vanuit het oosten, het zuiden en het westen - zogezegd - op hem afstormden.

Die winter had ik last van wintertenen. De jeuk was onverdraaglijk. Hoewel ik mij niet meer herinner, waaruit mijn kleding bestond en al helemaal niet hoe het met mijn kousen was gesteld, neem ik nu aan, dat mijn wintertenen in belangrijke mate het gevolg waren van slechts een enkel paar verouderde en slecht of nooit gewassen kousen. Omdat het me was opgevallen, dat ik zonder kousen minder last had van jeuk en minder last van de strenge vorst heb ik in Eger de beslissing genomen ze niet meer aan te trekken en in het vervolg op blote voeten in mijn schoenen door het leven te gaan.
Je moet niet denken, dat ik in die wintermaanden van elke vorm van hygiëne verstoken ben gebleven. Ook Eger had een wasbarak. Je moest er wel een heel eind voor lopen. Samen met een maatje waren hij en ik de enigen, die vóór het slapen in het aardedonker onze weg zochten naar die barak. Hoewel het één grote ruimte was met zeker honderd douches hebben wij er op dat uur van de avond nooit iemand anders aangetroffen. Het was dan ook, zoals alles in Eger, een slecht verlichte, sinistere en stervenskouwe ruimte. Vanzelfsprekend voor die tijd was er alleen koud water, dat om onduidelijke reden niet bevroor. We dienden met een noodgang te douchen, hadden nauwelijks iets om af te drogen en renden halfnat naar onze barak. De eerste avond dacht ik na terugkeer een hand door mijn haar te kunnen halen. Het was echter zo stijf bevroren, dat een pluk haar gewoon leek af te breken.
Ik heb al eerder vermeld, dat mijn leeftijdgenoten kennelijk allen dezelfde opvoeding en opleiding hadden genoten. Gedurig was ik een buitenstaander. Zo maakte ik in Eger kennis met bepaalde vormen van collectieve kastijding waar eenieder vol ervaring en overgave aan deelnam, behalve ik. Toen een van ons iets gestolen bleek te hebben stelde de rest zich in twee rijen in de gang op, de koppel uit de broek gehaald. De dief werd vele malen onder een regen van riemslagen tussen de twee rijen heen en weer gedreven. Het ging er waarachtig niet zachtzinnig aan toe. Wat mij betrof; ik voelde. dat ik er niet bij hoorde en hield mij - ik denk dat ik de enige was - afzijdig.
Ook kon men een ‘Heiligentag verdienen’. Dit hield in, dat het geslacht van de booswicht met grote klieders zwarte schoensmeer werd volgekletst. En schoensmeer was rijkelijk voorradig, want ook al stortte het Duizendjarig Rijk in; de stiefels moesten glimmen.
Bij al dat gedoe diende je voorzichtig te zijn je nergens aan te verwonden, want dat ging nooit meer over. Ik weet er van, want bij terugkeer van een van mijn strooptochten naar perspex was ik in het donker in een prikkeldraadversperring gevallen. Ik heb de stekels eigenhandig uit mijn borst en benen moeten trekken. De wonden begonnen te zweren en werden door de opvolgende kampartsen steeds weer open gemaakt en bestreken met een zalf. Van genezing is tot het einde van de oorlog geen sprake geweest. De littekens zijn gebleven.
In Eger kregen wij uitgebreid onderricht in van alles en nog wat, waaronder krijgskunde. Mijn onvermogen mij te ontwikkelen tot vechtjas wordt gesymboliseerd door het enige, dat van al dat onderricht in mijn herinnering is blijven hangen en dat is de aansprekelijke leus:
“Beim Entladen stets visieren. Finger lang, nichts kan passieren”.
Meer is mij van de lessen niet bijgebleven of het moet zijn, dat op een dag bewezen moest worden, dat het Duitse ras aanspraak maakte op de mooiste liederen. Dat hebben ze geweten! Gesteund door onze Vlaamse lotgenoten is het Herrenvolk op onnavolgbare wijze met onze onverstaanbare ‘strijdliederen’ glansrijk onder de tafel gezongen.
Hoe lang wij in Eger zijn gebleven staat mij niet meer bij. Ook al leek het meer dan een maand, het moeten toch slechts luttele dagen zijn geweest. Op een gegeven moment zijn we weer op de trein gezet en wel richting Rostock aan de Oostzee. Daar was het nog kouder.

April 2000.

 
Tijdlijn
  • 1942
  • 1943
  • 1944
  • 1945
  • 1946
  • 1920 - 1929
  • 1930 - 1939
  • 1940 - 1949
  • 1950 - 1959
  • 1960 - 1969