Kinderen over 'foute' ouders

Lettergrootte:    
EEN LEVENSLANG GEHEIM
Utrecht
Het feit dat mijn moeder lid is geworden van de NSB heeft me een leven lang achtervolgd. Ik ben een vrouw van vijfenzeventig jaar oud en werd als kind van elf jaar belast met een zware taak. Ik werd verantwoordelijk voor de huishouding en vervolgens ook voor de opvang van mijn moeder na haar internering. Hierna volgde geheimhouding uit zelfbescherming.

Altijd alert zijn, het eens zijn met bepaalde grapjes. Altijd eerst nadenken voor je iets zegt, niet spontaan kunnen zijn. Bang om door de mand te vallen, dus in gezelschap meedoen met de opmerkingen over foute Nederlanders. Ook nu nog kom ik op series, radio, in kranten en tijdschriften, schelden en spottende opmerkingen tegen. Het schijnt gewoon te zijn om zelfs in een TV-serie iemand uit te schelden voor NSB'er.
Huilen tijdens de dodenherdenking. Huilen in de manege waar mijn kind het bevrijdingsfeest vierde bij het hijsen van de vlag. Huilen tijdens de muziek van het voorbij marcheren van de muziekkapel. Ik hoorde er nooit bij. Huilen tijdens het afsteken van vuurwerk met oud en nieuw en het luiden van de Domklokken.
De bevrijding had voor mij een andere betekenis. Wij zaten toen in het donker, met de gordijnen dicht en mijn ouders wisten niet wat er zou gaan gebeuren. Buiten was een bevrijdingsfeest aan de gang, ringsteken met vrolijke kinderen.
Het was voor mij het begin van veel verdriet. Pas veel later heb ik begrepen waarom ik tijdens die gebeurtenissen zo intens verdrietig was. Al dat feestgedoe en de vreugde van de mensen rond de bevrijdingsdagen was heel bedreigend geweest. Jammer voor mijn kinderen dat ik nooit meekon naar dit soort feestjes.
Rond de vijfde mei en de vele herdenkingen was er geen ontsnappen aan op radio en TV en werd ik extra herinnerd aan onze situatie van toen. Ik legde uit aan mijn kinderen dat oorlogsherinneringen voor mij te pijnlijk waren. Daar hadden ze veel begrip voor en daardoor voelde ik me schuldig. Ik kreeg hun extra liefde en begrip om de verkeerde redenen, ik stond juist aan de 'foute' kant. Dat hielp tevens om mijn geheim te bewaren. Hoe kon ik ze ooit de waarheid vertellen na al hun begrip?

Ik heb het mijn kinderen pas verteld toen zij volwassen waren. Ik wilde hen beschermen voor het oordeel van de maatschappij. Ik kon echter niet langer zwijgen toen mijn dochters mij vertelden dat mijn kleinzoon met zijn school in Fort de Bilt was geweest. Daar is nu een Herinneringscentrum en Stichting Vredeseducatie, heel leuk voor kinderen. Men geeft onderricht over onder andere de zondeboktheorie en vooroordelen.
Mijn kleinzoon in Fort de Bilt! Ik had deze naam nooit meer hardop kunnen uitspreken. Hun grootmoeder had daar heel andere ervaringen ondervonden. Dat het ook een interneringskamp was geweest werd niet in het Herinneringscentrum vermeld.
Toen mijn beide dochters ter plekke informeerden naar het ontbrekende stukje geschiedenis van Fort de Bilt werd daarop een afwijzend antwoord gegeven. Het leek wel alsof mijn moeder helemaal niet bestond, terwijl zij daar zoveel heeft geleden.
Ik heb daarna rond juni 1999 een briefwisseling gehad met de heren Jan Durk Tuinier en Geu Visser, de oprichters van het Vredeseducatieproject.
Uiteindelijk is na lang aandringen de folder aangepast. Ook is na het contact van de oprichters van het project met Stichting Herkenning, in het Herinneringscentrum van Fort de Bilt een verslag opgenomen van een kind van 'foute' ouders.
In 2004 is ten slotte een brochure¹ verschenen van Mw. M.L. Hijink-Rijnders, voorheen commandante van het Bewarings- en verblijfskamp voor NSB'ers.
Mw. Hijink-Rijnders geeft volmondig toe dat het verblijf in het eerste halve jaar in Fort de Bilt "niet menswaardig" was, ze zegt ook dat de helft van de vrouwen onschuldig was. Dit boekje is toegesneden op haar eigen ervaringen. Het verklaart niet waarom mijn moeder thuiskwam met een verwoeste gezondheid.

Mijn moeder werd in eerste instantie vier maanden ondergebracht in Tivoli en Plompetorengracht. Daarna verbleef zij nog een jaar in Fort de Bilt, waar het verblijf volgens Mw. Hijink-Rijnders het eerste halve jaar dus niet menswaardig was. Dat wil zeggen dat mijn moeder tien maanden niet menswaardig is behandeld. Zij is nooit veroordeeld, heeft nooit een ‘straf’ gekregen, en werd op een gegeven moment gewoon vrijgelaten.

Mijn vader had een afspraak met mijn grootmoeder dat zij bij ons in huis zou komen als er iets gebeurde. Niemand wist wat dat zou zijn. Na de bevrijding zaten we in huis met de gordijnen dicht in het donker. We hoorden buiten van alles maar wisten niet wat er gebeurde. Ik al helemaal niet, ik had geen idee waarom wij zo binnen zaten. Ik wilde wel gaan kijken maar dat mocht niet. Mijn ouders waren bang. Tegen mij zei mijn vader: "Als er iets gebeurt dan ga je meteen Oma halen."
Ik was elf jaar en zag hoe mijn moeder door twee gewapende mannen hardhandig uit huis werd gesleurd, met de toevoeging: "En die hoer zien jullie nooit meer terug."
Buren stonden buiten te kijken. Ik bleef verbijsterd achter met mijn broertje van vijf die erg van streek was en om mama riep. Buren, ook die waarvan ik dacht dat ze onze vrienden waren, en zelfs later familie, kwamen het huis in en plunderden onze spullen. "Die heeft jouw moeder toch niet meer nodig." Mijn vader was al eerder opgehaald.

Ik dacht dit zal het 'iets' zijn waarvoor mijn vader mij had gewaarschuwd. Ik kleedde ons aan en we liepen naar mijn Oma. Zij woonde een uur lopen aan de andere kant van de stad en ze ging meteen met ons mee terug. De volgende dag kwamen er mensen met een band om de arm en een vrachtwagen om het huis leeg te halen en te verzegelen. Oma zei dat zij hier altijd had gewoond en dat het haar huis was. Op die manier is ons een kinderkamp bespaard gebleven. Hiervoor ben ik mijn vader zeer dankbaar. Hij is overigens wel lid geweest maar heeft vrijwel direct zijn lidmaatschap weer opgezegd. Hij kwam na drie weken geïnterneerd te zijn geweest in Rhijnauwen weer thuis.
Als kind begreep ik niet dat iedereen zo'n hekel aan mijn ouders had. Ik aanvaardde gewoon het feit dat het zo was.

Eerst werd mijn moeder ondergebracht in Tivoli. Daar liep zij nog wel eens buiten in de tuin op een bepaalde tijd. Dan konden we haar vanuit de verte zien en naar elkaar zwaaien. We, dat waren mijn vader en ik samen op de fiets, ik achterop. Soms stonden we lang te wachten bij het hek maar dan kwam ze niet. Daarna verbleef zij in een school op de Plompetorengracht. Na in totaal vier maanden werd zij naar Fort de Bilt gebracht.
Mijn moeder was bijna anderhalf jaar geïnterneerd. Brieven schrijven en bezoek was verboden. Wij hadden een oud, geel rieten koffertje met een leren handvat en een leren riem eromheen. Mijn vader moest schone kleding brengen en het koffertje overhandigen aan de poort. Hij had de hoeken zogenaamd versterkt met reepjes leer. Daarin verstopten we klein opgevouwen briefjes. Zo hadden we toch contact met elkaar.

Toen zij vrijgelaten werd uit Fort de Bilt was zij lichamelijk ziek en geestelijk totaal ontredderd. Zij had hartritmestoornissen en leed aan schurft en scheurbuik². Ik was dertien jaar en heb mijn moeder opgevangen. Ik heb alle verhalen over het kamp moeten aanhoren, over het onrecht, geen medicatie, geen maandverband, de vernederingen, de kou en de honger, de straffen en de seksuele spelletjes met vrouwen door de bewakers. Onnodige (hilarische) visitaties door de bewakers bij terugkomst van het werk. De miskramen die werden veroorzaakt door het expres laten dragen van de zware gamellen die werden aangevoerd op vrachtwagens.
Vrouwen werden zonder voldoende kleding op open vrachtwagens vervoerd naar hun werk. Dit was geen straf, wel een regelrechte en uit de hand gelopen wraakneming. Ik kende de bewakers. Zij stonden niet goed bekend, waren zelf zwarthandelaren geweest en hadden er plezier in om met een band, een geweer en een pet op rond te lopen en mensen te treiteren. De goede bewakers spraken er schande van en namen ontslag3.

De kampervaringen van mijn moeder hebben mijn jeugd verziekt. Eigenlijk moest ik naar de Mulo maar het lukte niet, ik had er geen aandacht voor. Bovendien waren ze ook daar niet vriendelijk tegen mij. Mijn moeder was depressief en kon niet stoppen met vertellen. Tijdens haar internering moest ik voor het huishouden zorgen maar ook na haar thuiskomst was zij tot niets in staat. Daarnaast waren er meer gevolgen door haar thuiskomst.
Zij had daar kennisgemaakt en was bevriend geraakt met andere vrouwen. Zij was de enige die haar huis had behouden. Bijna alle andere vrouwen wisten niet waar hun kinderen en hun man waren en hadden geen thuis.
Ons huis werd een opvang voor vele vrouwen die niet wisten waar ze naar toe konden gaan. Mijn broertje en ik moesten vaak ons bed uit en op de grond slapen om plaats te maken voor iemand die aanklopte, ziek was of geen geld had. Soms konden ze na een paar dagen weg naar familie, sommige bleven een paar weken. Een van de vrouwen had nog een zilveren lepeltje dat gaf zij aan mijn moeder als dank. Ik heb het nog.
De meeste onderwerpen van gesprek waren hun ervaringen. Er was voor mij geen ontkomen aan. Alles wat mijn moeder had verteld werd door deze mensen tot in den treure toe herverteld en bevestigd.
Zij waren ontredderd, ziek, berooid, hadden geen geld, geen huis, geen gezin. Het moeten er meer dan zevenendertig zijn geweest. Zij vonden bij ons warmte, aandacht, voedsel, een bed. Zij verlieten ons als ze weer een contact en gezinsleden hadden gevonden en voelden zich bij vertrek altijd beter dan bij aankomst.

Ook een familielid wist ons te vinden. Hij had een straf uitgezeten in Veenhuizen. Niemand van de familie wilde hem in huis en nadat hij een paar weken bij ons was bleek hij ernstig ziek. Hij had TBC opgelopen. Onze huisarts was altijd bereikbaar voor de mensen die bij ons kwamen. Hij kwam vaak langs, soms elke dag, zonder dat we erom hoefden te vragen. Hij verstrekte iedereen medicijnen op onze naam, was altijd vriendelijk en ondersteunde mijn moeder. De huisarts deed veel moeite om deze man in een ziekenhuis te krijgen wat niet lukte. Het familielid had zijn straf uitgezeten, was stateloos4 en was geen Nederlander meer. Wij hebben deze man anderhalf jaar in huis gehad. Dat was een verschrikking. We hadden een klein huis met boven twee slaapkamers waarvan hij er volgens voorschrift één moest hebben. Alles moest apart gehouden worden, ontsmet worden, hij mocht niet naar beneden, wel even naar toilet maar dat moest hijzelf dan schoonmaken en ontsmetten, wat hij niet nodig vond en dus niet deed. Het huis stonk naar lysol. Als we weg waren ging hij stiekem in de huiskamer zitten. Uiteindelijk kreeg de arts het voor elkaar dat hij werd opgenomen in een sanatorium. Als gezin werden wij geregeld gecontroleerd op een TBC besmetting en kregen dan een Mantoux-prik.
Mijn vriend mocht niet meer bij mij thuis komen van zijn familie. Wij, de kinderen, waren niet blij met de aanloop. Elke keer ons bed afstaan en die ellendige verhalen van al die zielige mensen. Wassen, eten koken, afwassen, praten, boodschappen doen (veel was nog op de bon), de troep. We hadden geen douche. Er stond altijd wel iemand zich te wassen in de keuken.
Rond mijn negentiende jaar heb ik mijn moeder streng verboden er ooit nog over te praten en daar heeft ze zich aan gehouden. Ik voelde me alsof ik haar ellende had meegemaakt en kon er niet meer tegen.
Achteraf heb ik wel waardering voor mijn ouders. Ze hebben zich heel veel moeite getroost om mensen op te vangen die nergens terecht konden en waarvoor geen enkele hulp was. Zij konden geen 'nee' zeggen tegen mensen in nood terwijl ze het zelf zwaar hadden. Mijn vader was op staande voet ontslagen na de oorlog én kreeg geen uitkering. Hij hielp zijn broer in de rijwielzaak en stoffeerde af en toe stoelen. Ze hadden het financieel erg moeilijk.

Er zullen wel ergere gevallen zijn dan mijn situatie. Maar wie kan dat beoordelen? Wie zal dat bepalen? Een leven lang lijden onder een geheim om minachting en krenking te vermijden maakt eenzaam. Onder vrienden zijn en beseffen 'als zij het weten' dat hun houding dan subtiel verandert en dat je wordt gemeden.

Pas op latere leeftijd hebben zich bij mij de gevolgen geopenbaard. Ik heb om dit te boven te komen vijftien jaar therapie gehad dat ik voor het grootste gedeelte zelf heb bekostigd. Daarna durfde ik er wat meer over te praten. Mijn hulpverleenster heeft mij begeleid tijdens mijn deelname aan Werkgroep Herkenning en mijn latere studie.
Mij is alles te beurt gevallen wat een kind van foute ouders is aangedaan. Het boycotten, het stigma, er niet te mogen zijn, het bewaren van het geheim. Ik ben er toch goed uitgekomen en heb veel geleerd, het heeft me een beter mens gemaakt. Het verwerkingsproces heeft vele jaren geduurd. Elke keer gebeurt er weer iets en kom je op een ander niveau terecht. Het is hard werken om je eigen identiteit terug te vinden. Ik heb 20 jaar vrijwilligerswerk gedaan en op mijn 58e jaar een vierjarige HBO-opleiding Maatschappelijk Werk afgerond.
Ik heb gelukkig altijd veel steun gehad aan mijn man en mijn beide dochters.

Toch ontbreekt er iets, een genoegdoening? Een erkenning? En wie moet dat dan erkennen? Het onrecht duurt voort.
Mensen hebben nog steeds het recht om mij te veroordelen, er is geen begrip voor het aangedane onrecht. Het lidmaatschap van de NSB blijkt nog steeds een vrijbrief te zijn voor algemene veroordeling van de maatschappij. Mijn medeburgers willen zelfs niet weten dat ook Nederlanders concentratiekampmethoden hebben toegepast op weerloze en vaak onschuldige mensen. Zij willen niet weten hoeveel kinderen er verbleven en zijn omgekomen in de kinderkampen, hoeveel mannen en vrouwen er zijn mishandeld en omgekomen in de door de regering opgezette kampen.
Mensen, mijn medeburgers, durven eigenlijk niet eens begrip te hebben voor deze toestanden of kennis te nemen hierover omdat zij bang zijn. Bang dat anderen denken dat ze sympathiserende ideeën hebben.
Eigenlijk zou ik ook willen vragen waar al de eigendommen zijn gebleven van de opgepakte mensen. Al hun bezittingen werden immers verbeurd verklaard. De huizen, inboedels, winkels, boerderijen, bedrijven, enz. Die eigendommen zijn namelijk ook van hun huwelijkspartner afgepakt. De partner (meestal de vrouw) was vaak geen lid geweest en had geen schuld, maar verloor ook alles.
Ik zou ook willen vragen of er hiervoor ooit genoegdoening is gegeven. Is deze schuld aan de onschuldigen en de kinderen ooit terugbetaald?
Ik hoop dat er eens iemand opstaat die een einde maakt aan de nog steeds voortdurende minachtende houding voor mijn 'foute' ouders en voor mij als kind van die ouders. Die het mij niet kwalijk neemt dat ik nog van mijn ouders houd zelfs nu ze 'fout' zijn geweest.
Ik zit ook nog steeds te wachten op erkenning van de regering dat dit allemaal echt is gebeurd. Op excuses in het openbaar voor het gedogen van de hardhandige en mensonwaardige behandeling in de verblijfskampen. Het was immers algemeen bekend bij de toenmalige overheid dat dat niet beperkt bleef tot de eerste maanden na de bevrijding.

Dit alles wat mij blijft plagen zou als eigenbelang kunnen worden uitgelegd. Alsof ik mijn eigen straatje schoonveeg. Daarom is het voor mij vrijwel onmogelijk om het te uiten.
Het wachten is op een openbare verklaring van de regering dat er in die periode dingen zijn gebeurd die niet hadden moeten gebeuren. Slechts dan als de regering openlijk verantwoording neemt voor het onjuist handelen, dan pas durft mijn medemens mij recht in de ogen te kijken. Dan pas durft men medeleven en begrip te tonen.

Als iemand iets doet dat niet door de beugel kan dan is dat zijn eigen schuld. Iemand kan schuldig zijn. Maar als er met honderdduizenden mensen en tienduizenden kinderen tegelijk iets gebeurt wat niet door de beugel kan dan is er iets mis geweest in de samenleving.

Aan mij geschiedt een groot onrecht omdat ik een kind ben van een 'foute' moeder.
Ik ben vijfenzeventig jaar en nog veroordeelt de maatschappij mij. Vanaf mijn elfde jaar tot mijn twintigste jaar heb ik mij als een volwassene en een hulpverleenster moeten gedragen. Geen jeugd, geen opleiding, geen vrienden. Opgroeien in een ontwricht gezin.
Is dat mijn verdiende straf voor het lidmaatschap van mijn moeder?

Mijn moeder, een huisvrouw, werd lid van de NSB. Zij dacht een beter leven te krijgen voor haar en haar gezin. Dat was geen weloverwogen politieke visie. Mijn vader en grootvader waren beiden werkloos geweest, hadden moeten stempelen5 . Mijn grootvader moest de werkverschaffing6 in.
Zij was zoals men dat tegenwoordig noemt een brood-NSB'er. De oorzaak van deze keuze was het gevolg van de armoede, het gebrek aan een opleiding en de economische crisis van de dertigerjaren. Er werd immers werk en brood beloofd?
Zij is zwaar gestraft voor deze keuze. Ik verkies het een liefdevolle keuze te noemen. Mijn moeder was een liefdevolle vrouw. Zij koos voor het welzijn van het gezin waar ze van hield.

Ik heb, met Martin Luther King, een droom.

Mijn droom is vrij zijn van smaad.
Ik droom van rehabilitatie.
Ik droom ervan om zonder geheim door het leven te gaan.
Ik droom dat mijn kinderen en ik niet meer als 'fout' worden gezien.
Ik heb de droom dat de regering in het openbaar erkent dat er inderdaad vreselijke,
onnodige en onrechtvaardige dingen zijn gebeurd.
Ik droom van spijtbetuiging en eerherstel.
Ik heb de droom van mijn bevrijding.
Hier is geen 'waarheidsvinding' voor nodig.
De waarheid is te vinden in tienduizenden persoonlijke geschiedenissen.

Uitspraak van Martin Luther King:

"De grootste tragedie is niet de harteloosheid van de kwaden

maar het zwijgen van de goeden.”

Noten

1 Brochure: Fort De Bilt. NSB vrouwenkamp 1945-1946. Jan Durk Tuinier en Geu Visser.
Stichting Vredeseducatie Utrecht 2004

2 De gevolgen van scheurbuik zijn het uitvallen van tanden en hoofdhaar door vitaminegebrek.

3 Lou de Jong, Bijzondere Rechtspleging. Behandeling 'foute' Nederlanders na de oorlog.
Citaat: "...er zijn veel dingen gebeurd die niet door de beugel konden." Hij heeft nooit gezegd wat er dan precies gebeurd was. Met de toenmalige parlementaire enquête is nooit iets gedaan.

4 Ons familielid was automatisch stateloos omdat hij in vreemde krijgsdienst was geweest. Iemand kan zijn staatsburgerschap verliezen door onder meer dienst te nemen in een vreemde krijgsmacht. Iemand zonder staatsburgerschap is stateloos totdat een staat die persoon een staatsburgerschap verleent.

5 Stempelen: Wie weet nog wat armoede en honger is? Hoe vernederend de mannen werden bejegend die elke dag een stempeltje kwamen halen? Dat de maatschappelijk werksters onverwacht kwamen controleren of er vlees in de pannen zat? En dat als dit het geval was dat het gezin gekort werd op de uitkering?
Een tijd waarin mijn moeder een juffrouw was en mijn vader een knecht.

6 De werkverschaffing is een georganiseerde vorm van grondverzet. Werklozen werden door de overheid verplicht om onder toezicht in grote werkploegen ongeschoold werk uit te voeren - bijvoorbeeld het ontginnen van een hoogveengebied of het graven van kanalen. Dit alles gebeurde met schop, kruiwagen en kiepkar. Vooral bekend/berucht uit de crisisjaren 1930-1940. Als je geen ongeschoolde arbeider was, maar bijvoorbeeld een docent kreeg je hetzelfde werk, maar dit was voor lichamelijke zwakkeren niet vol te houden. Werkweigeren mocht niet. Werkverschaffing was omstreden.

 
Tijdlijn
  • 1920 - 1929
  • 1930 - 1939
  • 1940 - 1949
  • 1950 - 1959
  • 1960 - 1969