Kinderen over 'foute' ouders

Lettergrootte:    
Deel 5. Het kind, de school en de vader
1959 tot 2011
Babyfoto
Er bestaat één foto waarop ik een baby ben. Achterop de foto staat de naam van de fotograaf in de Van Baerlestraat en ook 1944, zes maanden.

De foto moet gemaakt zijn vlak voor het gezin Amsterdam verliet en bij familie op een boerderij in Menaldum ging wonen.

Het was familie van de oom die met de zus van mijn vader was verloofd. Die oom had bij de Amsterdamse politie gewerkt. Er werd altijd gezegd je oom heeft hetzelfde gedaan als je vader, maar hij heeft geen straf gehad. Ik heb hem leren kennen als een zachtaardige oom.

Ik was altijd gelukkig met die foto, ik bestond toen echt en ik had nog ouders.

Op oudejaarsavond 1989 was ik samen met mijn dochter van elf jaar op bezoek bij een vriendin, met wie ik een intieme relatie had. In de zomer voorafgaand aan die avond had ik mijn dochter voorzichtig ingelicht over haar opa. Ik moest wel, want mijn ex-man bleek onze zoon over zijn opa te hebben verteld en ik wilde niet dat zij het ook van haar vader moest horen. De vriendin had ouders die in de oorlog onderduikers in huis hadden gehad, verzetsouders dus. De vriendin was wat ouder dan ik en zij had in de oorlog de kinderen van NSB'ers gehaat, omdat die kinderen in haar beleving alles hadden wat zij niet had. Ze kende de achtergrond van mijn vader en we beloofden elkaar nooit te kwetsen op die verschillende achtergronden. We waren samen naar vrouwencentrum "De Born" in Bennekom geweest, waar mensen met verschillende achtergronden met elkaar spraken vóór "Combi" werd opgericht.

Tijdens die jaarwisseling waren er meerdere gasten in haar huis en het gesprek kwam op poëziealbums en daarna op babyfoto's op een vachtje. Ik vertelde blij dat ik ook zo'n soort foto had. Waarop mijn vriendin riep: "dat bestaat niet". Ik was verbaasd, ik zag de foto voor me en zei "maar ik heb die foto echt". Toen zei die vriendin: "Er werden in die tijd geen foto's gemaakt, maar kennelijk wel van NSB baby's". Ik schrok er heel erg van dat ik werd gebombardeerd tot NSB baby waar mijn dochter bij was. Maar tegelijktijd dacht ik, het zal wel waar zijn wat ze zegt. Ik schaamde mij dat die foto bestond. Later hoorde ik, dat  vriendinnnen die even oud zijn als ik ook foto's uit 1944 hebben. De relatie met de vriendin heb ik kort daarna beëindigd. Zij begreep dit niet, zij had mij niet willen kwetsen. Ik kon dat niet geloven, de opmerking over de foto werd heel venijnig uitgesproken. Daarna ben ik geen enkele nieuwe relatie aangegaan.

Herdenken in mei

De betekenis van het herdenken en het vieren van de vrijheid werd voor mij pas duidelijk in 1991. Ik was 47 jaar en zat in mijn tweede jaar van een HBO-opleiding Maatschappelijk Werk en Dienstverlening. Ik liep stage bij de KJBB (Kinderen uit de Japanse Bezetting en de Bersiap) en was tijdens een weekend assistent begeleider van een groep betrekkelijk jonge mensen. Die mensen hadden met elkaar gemeen dat zij kind waren van ouders die als kind in een Jappenkamp hadden gezeten. Een onderdeel van het programma was praten over 4 en 5 mei. De betekenis van die dagen voor de groep werd individueel besproken en mijn rol was het ondersteunen van de deelnemers.

Gelukkig was de ervaren begeleider ook aanwezig, want ik ging tijdens die gesprekken totaal onverwacht over mijn hele lichaam trillen, kon nauwelijks meer ademhalen, werd deelnemer in plaats van begeleider. Ik kon helemaal niet ondersteunen, ik moest ondersteund worden. Er bleken zoveel onverwerkte aspecten van het thema aanwezig te zijn, zoveel zaken waar ik nog nooit over had gesproken. Alle emoties over 4 en 5 mei waren weggestopt in een onbereikbaar deel van mijzelf. Ik had wel signalen gehad, mijn kinderen zeiden vaak "mama doet altijd zo raar tijdens de twee minuten stilte, dan moeten we thuis stiller dan stil zijn en mama overdrijft zo". Mijn kinderen wisten toen nog van niets, ik wilde ze beschermen.

Ik ging nooit de doden herdenken als kind. Ik bracht geen bloemen naar het oorlogsmonument in de buurt, want thuis zeiden ze "daar kan jij toch niet heen". Ik stond voor het raam in het benedenhuis van mijn oma en luisterde naar de stilte. Ik hoorde de vogels en keek naar het aan- en uitgaan van de straatlantaarns. Ik voelde mij zo schuldig dat papa mede verantwoordelijk was voor de doden, die werden herdacht. Ik wilde oprecht stil staan bij de slachtoffers van de oorlog en bloemen brengen, maar daar kon geen sprake van zijn.

Mijn oma van vaders kant, die ik heel lief vond, zei altijd rond 5 mei "voor ons is de oorlog pas voorbij als je vader vrij komt", dan hangen we de vlag uit. Ik begreep wel dat oma haar zoon thuis wilde hebben, maar ik wilde dat absoluut niet vieren en zeker niet de vlag uithangen. De vlag uithangen op 5 mei vond ik heel belangrijk, het was ook mijn vrijheid.

Het naarste was dat ik thuis bij mama en haar ouders niet kon zeggen, dat ik wel naar de dodenherdenking wilde gaan en dat ik niets te maken had met de daden van mijn vader. Ik was tenslotte nog een baby op 5 mei 1945. Zij projecteerden hun eigen schaamte over mijn vader op mij. Ik moest het maar voor ze oplossen. Bij de ouders van mijn vader kon ik niet zeggen, dat de oorlog wat mij betreft wel voorbij was en dat ik niet solidair was met mijn vader. Ik slikte alles in, was stil en probeerde iedereen in zijn waarde te laten.

Sinds mijn vijfde jaar heb ik een goede vriendin en zij heeft mij op een gegeven moment meegenomen naar het Joods Historisch museum in Amsterdam. Ik durfde daar nooit naar binnen te gaan. Ik hoorde daar niet, zeiden alle stemmen in mijn hoofd. Ik was zeer geschokt door het lezen van de maatregelen die in de oorlog voor Joodse mensen van kracht werden en die zonder veel protest werden uitgevoerd.

Later was ik met die vriendin op een natuurcamping in Muiderberg op 4 mei. Mijn vriendin ging naar de dodenherdenking bij de muziektent in het dorp. Alle mensen stonden aan één kant tijdens de twee minuten stilte. Ik stond een eind verderop alleen, achter wat struiken. Ik durfde er niet bij te horen. Op 4 mei blijf ik thuis. Ik kijk televisie en zie de herdenking op de Dam en op de Waalsdorpervlakte. Naar de Dam gaan is een brug te ver.

Ik ben wel naar het Anna Frank huis geweest en als laatste barrière naar De Hollandse Schouwburg, waar mijn vader de door hem opgehaalde Joodse mensen naar toe bracht. Ik heb de namen aangeraakt en ze zachtjes voor mijzelf voorgelezen. Ik zal altijd blijven herdenken, niet alleen op 4 mei. Maar als de meimaand nadert word ik weer zo goed als onzichtbaar.

 Een moment

Op 4 maart 1992 zag ik het toneelstuk "Goed/Fout"van Haye van der Heijden. Tijdens het stuk was er een moment waarop iets heel belangrijks werd gezegd. Iets wat voor mij verborgen was, werd blootgelegd en ik wilde dat onthouden. De tekst was echter ogenblikkelijk uit mijn geheugen gewist. De woorden en inhoud ervan waren weg. Ik kon mij daar niet goed bij neerleggen, omdat de tekst mij zo had geraakt. Op 17 mei 2008 gaf Chris van der Heijden in Maarn een schrijfworkshop, waaraan ik heb deelgenomen. Ter sprake kwam dat Haye en Chris broers zijn. Ik vertelde Chris over het vergeten moment in de tekst. Chris heeft mij toen de tekst van het toneelstuk gestuurd. Ik heb de tekst rustig en langzaam gelezen. Een stootje in de maagstreek en plotselinge priktranen waarschuwden mij, dat ik de tekst had gevonden. De tekst ging over het dilemma om een zwangerschap al of niet af te breken, omdat het kind een Joodse opa met een kampverleden en een foute opa met een NSB verleden zou hebben. Ik citeer Haye van der Heijden:

Elsbeth: Omdat. Omdat. Omdat het al zo ongelooflijk besmet is. Zo besmet. Voordat het geboren wordt heeft het al een strafblad.

Nu pas weet ik waarom ik in 2002 zo was geraakt. Het was mijn eigen strafblad, opgroeiend na de oorlog. Maar het was nog meer.

Toen ik 16 jaar was werd ik voor het eerst verliefd op een man, mijn judo leraar van 26 jaar. De 10 jaar verschil was onoverkomelijk, hij zag mij niet eens. Ik ben jaren verliefd op hem gebleven en op een gegeven moment kwam tijdens een wedstrijd zijn vader kijken. Door omstanders werd gemompeld dat hij een Joodse vader had. Vanaf dat moment begon ik na te denken over de onmogelijke relatie die ik voor ogen had. Terwijl er niet eens sprake was van een relatie, was het al een dilemma. Ik zag mijn vader al met zijn vader samen boven een wieg staan. Dat wilde ik het kind, maar ook mijzelf niet aandoen. Er zijn nu eenmaal zaken die te groot zijn om mee om te gaan.

Toen ik 22 jaar was heb ik eenmalig gevreeën met mijn judo leraar. Ik had inmiddels de zwarte band en ik moest bij hem thuis zijn voor judo zaken. We hadden geen voorzorgsmaatregelen getroffen en natuurlijk was ik over tijd. Hij heeft het nooit geweten. Ik zal die week vóór ik toch ongesteld werd nooit vergeten. De blijdschap dat ik misschien een kind zou krijgen van mijn grote liefde en tegelijkertijd het drama dat het een kind zou zijn van goed en fout. Ik weet niet wat ik zou hebben besloten als ik wel zwanger was geweest. Maar ik zou het nog steeds niet aankunnen.

Het dilemma zwijgen of bekennen

Als je kind bent van….. kom je de keus om iets wel of niet te vertellen tot in het oneindige tegen. Ook nu mijn vader niet meer leeft en de oorlog al 66 jaar geleden is, sta ik nog voor dit dilemma. Ik bescherm nog steeds mijn moeder, mijn kinderen en kleinkinderen tegen het bekend worden van de geschiedenis van mijn vader, in hun omgeving.

Want het is niet waar, dat alle mensen de daden van mijn vader kunnen scheiden van wie ik ben, of wie mijn kinderen zijn. Het niet kunnen scheiden van persoon en daden zit niet alleen in die andere mensen, maar is ook ingebakken in mijn eigen leven.

Als mijn dochter geconfronteerd wordt met de oorlog en de rol van haar opa erin, krijgt zij meteen buikpijn. De confrontatie ontstaat door krantenberichten, televieprogramma's en gesprekken met vrienden en collega's. Mijn dochter zwijgt, terwijl ze het soms liever met iemand wil delen. Maar angst overheerst die behoefte en dat heb ik doorgegeven. Ik kan wel leven met die ingesleten angst: of ze nog van je kunnen houden als ze het weten. Maar ik vind het vreselijk dat mijn dochter het ook meemaakt.

Na de Lagere School ging ik naar de 3-jarige ULO die wat verder van mijn huis lag en op die school wist niemand iets over mijn vader. Alleen dat mijn ouders gescheiden waren.

Ik trof de liefste klassenjuf. Zij was vriendelijk, bemoedigend, eerlijk, gaf duidelijke lessen en kleineerde niemand. Zij tilde mijn leven naar een hoger plan. Ze bracht kunst en cultuur in mijn wereld en gaf mij een begin van zelfvertrouwen. Ik heb haar in de loop der jaren nog een aantal keren ontmoet. In 1996 is zij overleden en ik kan haar niet meer vertellen wat ik heb verzwegen en daar heb ik spijt van. Ik heb haar nooit iets verteld over mijn vader. Ik was zo bang dat zij mij niet meer aardig zou vinden. Dit kwam omdat zij in de klas vaak verhalen vertelde over de Weesperstraat, waar zij was opgegroeid. Dat die straat bij de "Jodenbuurt" hoorde en wat er met die buurt was gebeurd. Dat er mensen verdwenen. Ze las ook een verhaal voor over discriminatie van een zwart jongetje in New York, waardoor ik beter begreep wat discriminatie inhield. Mijn juf was geboren in 1923 en 17 jaar toen de oorlog begon. In de derde klas realiseerde ik mij elke dag dat dit het laatste jaar was dat ik haar als juf zou hebben. In de derde klas kwam ook mijn vader vrij. Misschien heeft zij op een of andere manier wel geweten wat ik verzweeg, maar dat zal ik nooit weten. Zij komt nog regelmatig in mijn dromen langs en dan ben ik zo blij, dat ik huilend wakker wordt. In mijn dromen heb ik het haar wel verteld, maar de droom gaat nooit zover, dat ik haar reactie kan zien.

Op mijn werk zweeg ik over mijn vader. Ik vertelde het wel aan enkele vriendinnen. De man waarmee ik trouwde raakte door mij zijn Joodse vrienden kwijt. In 1981 ben ik gescheiden.

Toen mijn vader hertrouwde was ik 16 jaar. Hij trouwde een vrouw met twee zoons. Papa en zijn nieuwe gezin waren op den duur maatschappelijk zeer geslaagd. Ik was een bijstandsmoeder. Uiteindelijk heeft mijn vader zijn aangetrouwde zoons summier over zijn verleden verteld, zijn tweede vrouw wist het voor zij met hem trouwde. Toen zijn vrouw was overleden heeft hij op mijn aanraden ook zijn nieuwe vriendin min of meer ingelicht. Mijn vader kreeg altijd het voordeel van de twijfel en iedereen vond het zo'n lieve, wijze man.

Daar heb ik het wel moeilijk mee gehad. Zijn schoondochter zei lang voor zijn overlijden tegen mij "als je in de overlijdenstoespraak iets over vroeger zegt, kijk ik je nooit meer aan".

Toen hij in 2009 overleed, heb ik inderdaad gezwegen. Ik heb er stilzwijgend in toegestemd niet de spreken over het belangrijkste wat er tussen mijn papa en mij is geweest. De oorlog en zijn langdurige gevangenisstraf. Het voelde als zwijgen als het graf.

N.B. Deel 1 van Het kind, de school en de vader is een inleiding. De andere vier delen zijn losse herinneringen met een eigen titel. 

 
Tijdlijn
  • 1930 - 1939
  • 1940 - 1949
  • 1950 - 1959
  • 1960 - 1969
  • 1970 - 1979