Kinderen over 'foute' ouders

Lettergrootte:    
Deel 4. Het kind, de school en de vader
1959 tot 2011
Langzaam weten
Slechts één keer heb ik de moed gehad mijn vader aan te spreken op zijn daden.

Ik was misschien zestien jaar en ik zie ons nog staan in de huiskamer van zijn moeder. We hadden woorden. De aanleiding weet ik niet meer, maar ik zei: "je bent een moordenaar, je hebt Joodse mensen vermoord".

Mijn vader verstrakte, dreigde agressief te worden en verliet toen het huis. Van mijn oma hoorde ik later dat hij mij in eerste instantie nooit meer wilde zien, maar dat hij daarop was teruggekomen. We hebben er nooit meer over gesproken, maar hij wist nu definitief dat ik niet achter hem stond, maar hem veroordeelde.

Vaak wilde ik gedurende de jaren die volgden mijn vader nooit meer zien, maar ik kon de relatie niet verbreken. Ik was zijn dochter en hij had mij nodig, dacht ik. Iedereen had hem verlaten na de oorlog. Tijdens zijn proces waren zijn vrouw, zijn ouders en verdere familie afwezig. Hoe alleen kan je zijn als de doodstraf wordt geëist.

Mijn vader was aan de buitenkant een keurige en charmante man met flair en hij vond zichzelf een wijs man toen hij begin veertig was. In zijn beleving had hij veel meegemaakt en was hij sterk en ongeschonden uit de gevangenis gekomen. Hij ging er prat op dat hij en zijn vrienden uit de gevangenis geen criminelen waren, maar politieke gevangenen. Hij kon zich gedragen alsof hij tot de elite van Nederland behoorde. Maar dan wel een elite zonder stemrecht.

Ik wist niet veel toen ik zestien jaar was, maar wel dat mijn vader Joodse mensen uit hun huizen had gehaald, ook kinderen. Hij heeft altijd volgehouden dat hij niet wist dat die mensen zouden worden vergast. Maar wel dat ze naar kampen gingen, waar ze zouden "leren werken". Let wel zijn woorden, niet de mijne. Het gekke is dat ik nog steeds geloof dat hij echt niet wist wat er in die kampen gebeurde. Ik geloof dit omdat hij vooral kort na zijn vrijlating nogal trots kon vertellen over zijn daden. Ik heb die provocerende verhalen altijd als zijn overlevingsmechanisme gezien. Want als het echt tot hem doordrong waar hij aan had meegewerkt, dan kon hij toch niet verder leven? Toch bleef hij zeggen dat hij niet van de gaskamers op de hoogte was.

Toen hij bijna negentig jaar was vroeg hij aan mij: "Wil je nog steeds horen dat ik spijt heb van mijn daden?" Ik heb dat beaamd en toen heeft hij spijt betuigd over de gevolgen van zijn daden voor de Joodse bevolking. Veel te laat en hoeverre de spijt oprecht was, zal ik nooit weten. Maar ik was toch blij dat hij het eindelijk kon zeggen.

Nog voor zijn spijtbetuiging werd ik door een familielid op de hoogte gesteld van het uitkomen van het boek "Kopgeld" van Ad van Liempt. Ik hoorde dat een deel van dat boek over mijn vader ging. Opmerkelijk is dat ik de recensie in De Volkskrant over het hoofd heb gezien, ter wijl ik altijd alles lees wat over de oorlog gaat. Zelfbescherming? Op internet heb ik toen de recensie gelezen en in de kop stond geloof ik iets over premiejagers en de Colonne Henneicke, dat zei mij niets. Ik was 58 jaar en ik had nog nooit van premiejagers gehoord, van niemand.

Op latere leeftijd heb ik eindexamen Havo (1981) en Vwo (1983) gedaan. Door een toeval ging de examenstof beide keren over de tweede wereldoorlog. Maar ook in die stof ben in de Colonne Henneicke niet tegengekomen.

De volgende dag heb ik het boek gekocht en gelezen. De namen in het boek zijn nauwelijks anoniem gemaakt en ik kon zonder moeite alle "vrienden" van mijn vader uit de gevangenistijd herkennen in de pseudoniemen. Het was uitermate schokkend om het deel over mijn vader te lezen. Ik dacht al veel te weten, maar ik was nog niet in het Nationale Archief in Den Haag geweest. Ik moest wachten tot mijn vader overleden zou zijn.

Het was heel moeilijk om daarna mijn vader weer te zien en te zwijgen over het boek. Na het overlijden van mijn vader ben ik met mijn zoon naar het archief geweest en samen hebben we snel lezend de walgelijke dossiers doorgewerkt en gezocht naar passages uit het boek. Ik had een mooie ingebrachte herinnering aan het huis waar ik ben geboren en waar ik als baby een eigen kamertje in had. In het boek "Kopgeld" en in de dossiers staat hoe mijn vader aan dat huis is gekomen en dat is niet te verwerken.

Door zijn werk bij de Colonne Henneicke wist hij dat de oorspronkelijke Joodse bewoners gedeporteerd zouden worden. Hij heeft toen tegen de huiseigenaar gezegd, dat hij het huis wilde huren, omdat het toch leeg zou komen.

Leedvermaak

Dankzij het bewaren van oude agenda's heb ik kunnen opzoeken wanneer ik de film "Leedvermaak" van Frans Weisz heb gezien, naar het toneelstuk van Judith Herzberg. Het was op zaterdag 7 oktober 1989. Ik beschouw het zien van die film als een ommekeer in mijn leven. Ik had alle gedichtenbundels van Judith Herzberg al gelezen, maar het toneelstuk had ik kennelijk gemist. Ik ging naar die film met een ander kind van…. Toen ik uit de bioscoop kwam kon ik niet ophouden met huilen. De vriendin bleef met me rondlopen tot ik enigszins tot bedaren kwam.

Later heb ik geprobeerd te ontleden waarom juist die film mij totaal kon ontregelen. Ik was al vanaf 1987 in therapie bij een bijzonder sympathieke psychiater. Hij heeft altijd gerespecteerd dat ik geen pillen wilde slikken. Ik had mezelf aangemeld bij het Riagg omdat ik bepaalde persoonlijke omstandigheden niet aankon. Na de intake kon ik terecht in zijn huispraktijk. Halverwege de therapie bleek mijn therapeut half Joods te zijn. Ik ben hem zo dankbaar, dat hij dit heeft kunnen scheiden. Hij zei altijd "jij bent je vader niet, maar je moet hem wel leren accepteren, om jezelf te kunnen accepteren".

Ik bleek – naast dat een kind was van mijn vader – verlatingsangst te hebben en die angst kon veroorzaakt zijn doordat mijn vader vanaf april 1945 plotseling weg was uit mijn leven en dat wat later mijn moeder hele dagen ging werken. Veel later hoorde ik tot mijn verbijstering dat ik om de week bij de ouders van vaderszijde en de ouders van moederszijde woonde. Tot mijn vierde jaar. Toen moest ik naar kleuterschool en woonde ik samen met mama permanent in het huis van haar ouders. Daarom was ik ook zo gehecht aan de oma van vaderskant, die al vroeg is overleden. Maar ik wist het niet. Er is nooit over gesproken. Iedereen dacht dat ik het wist omdat ik het zelf had meegemaakt, maar ik had het niet opgeslagen. Het wonen bij de ouders van mijn moeder heeft geen goede herinneringen bij mij achtergelaten.

In de film "Leedvermaak" leer je kort samengevat een getraumatiseerde Joodse familie kennen die een bruiloft viert. Ik wil niet het verhaal na vertellen, maar ik wil toch duidelijk maken, dat ik mij zo herkende in die mensen. De moeder (Lea) in de film, krijgt in de tram een flashback van de mannen met laarzen uit de oorlog en raakt daardoor erg in de war.

Ik heb mijn vader nooit met die laarzen gezien, maar ik weet dat hij ze gedragen moet hebben. Het gaat door merg en been als je ziet hoeveel schade de angst voor dat soort mannen heeft veroorzaakt binnen de Joodse bevolking en hoelang die angst voortduurt.

Maar ondanks de schaamte hierover bleef overeind, dat ik het leed en het leedvermaak in die film herkende en de manier om er mee om te gaan . Alsof ik voor het eerst ook mijn eigen pijn mocht erkennen. Samen met de therapie heeft die erkenning er toe geleid dat ik er een beetje mag zijn van mezelf.

Dubbele schuld

Het schrijven van kinderen over hun ouders met een NSB-verleden, vanuit het kindperspectief, wordt soms in een akelig daglicht gesteld. Ik wil opkomen voor het recht om vanuit het kindperspectief te schrijven. Eindelijk kan ik vertellen waar ik als kind verdriet om had, bang voor was, mij schuldig aan voelde, of voor schaamde. Ik kan niet meer echt als kind schrijven, want mijn woordenschat is groter geworden, ik weet meer en ik kan verbanden leggen. Juist daarom probeer ik terug te gaan naar de gevoelens van het kind, dat elke context miste.

Hoewel ik de daden van mijn vader veroordeel, voel ik mij regelmatig schuldig als ik over mijn vader denk en schrijf. Ik realiseer mij dan, dat ik hem als vader misschien te kort heb gedaan door hem zijn schulden niet te vergeven. Hij heeft het mij ook niet makkelijk gemaakt. Eerst was hij heel lang trots op zijn daden, later zweeg hij erover en presenteerde hij zichzelf als een gerespecteerd en geslaagd mens in de maatschappij, zonder schuld over zijn daden voelen. Veel later leek hij spijt te hebben en de laatste jaren presenteerde hij zich vooral als slachtoffer der omstandigheden.

Uiteindelijk was hij ook slachtoffer der omstandigheden, maar die omstandigheden waren hem niet alleen maar overkomen. Iemand die Joodse mensen uit hun huis haalt in de wetenschap dat ze per trein naar een kamp ver weg gaan, is gewoon schuldig aan zijn daden.

Hier zit ergens mijn dubbele schuld. Als kind en volwassene nam en neem ik soms nog zijn schuld, omdat hij hem niet nam. Tegelijkertijd kon ik niet onvoorwaardelijk van mijn vader houden en dat is een schuld van een andere orde.

Over die laatste schuld wil ik het hebben. In de tijd van mijn therapie (1987/1990) werd ik ook een periode onder hypnose gebracht en keek ik naar het kind dat ik geweest was. Ik vond het verbazingwekkend dat ik in detail de plaats van handeling in vroeger tijden kon zien en de kleertjes die ik droeg toen ik drie, vier jaar was. Er was echter nog iets wat boven kwam drijven. Het begon met repeteerdromen die mij bekend voorkwamen, maar heel vaag. Die dromen werden steeds helderder en gedetailleerder en in die droom begroef ik een man levend onder een cementen vloer. Als ik 's morgens wakker werd dacht ik, ik kan toch niet als klein kind een volwassen man hebben begraven. De droom werd steeds intenser en ik ging steeds meer geloven, dat ik als kind een moord had gepleegd.

Ik dacht als ik vertel dat ik iemand heb vermoord, dan ga ik net als papa de gevangenis in. Uiteindelijk heb ik het opgebiecht bij de psychiater. Het voelde echt als het bekennen van een moord op een mij onbekend persoon. Voor de duidelijkheid, ik ben nooit "gek" geweest. De psychiater heeft mijn droom geduid, of eigenlijk heeft hij mij zelf de droom laten duiden. Ik was zo opgelucht dat ik geen echte moord had gepleegd, maar ik had wel mijn vader emotioneel onder het cement gestopt. Dat kwam zo.

Rond mijn vijfde jaar heeft mijn moeder haar huwelijk met mijn vader officieel beëindigd. Daarvoor bezocht zij hem nog in de gevangenis, maar daarna was alles anders. In de buurt waar ik woonde was in een banketbakkerij een moord gepleegd en over de omstandigheden van die moord heb ik waarschijnlijk verhalen gehoord. Tegelijkertijd mocht mijn vader er eigenlijk niet meer zijn. Ik wist vaag dat hij slecht was, dat mama er verdriet van had en dat ik mij voor hem moest schamen. Kinderen mochten niet met mij spelen en oma vond mij slecht. Kennelijk heb ik in die tijd mijn vader emotioneel begraven. Het voelt als een grote schuld als je niet zomaar van je vader kunt houden. Door de therapie leerde ik dat ik wel van hem mocht houden. Tenminste van zijn goede kanten.

N.B. Deel 1 van Het kind, de school en de vader is een inleiding. De andere vier delen zijn losse herinneringen met een eigen titel. 

 
Tijdlijn
  • 1930 - 1939
  • 1940 - 1949
  • 1950 - 1959
  • 1960 - 1969
  • 1970 - 1979