Kinderen over 'foute' ouders

Lettergrootte:    
Deel 2. Het kind, de school en de vader
1944 tot 1959
Bezoekuur
Enige keren per jaar ging ik samen met de zuster van mijn vader met de trein naar Breda.

Vanaf het station liepen we door de stille ochtendstraten naar de gevangenis aan de Nassausingel. Ik dacht onderweg dat iedereen wist waar ik naar toe ging, het stond op mijn voorhoofd geschreven. Mijn tante was een vrouw met onaangepast gedrag en onderweg schaamde ik mij voor haar in de trein. Ze sprak heel luid, zei lelijke woorden en provoceerde de mensen in de coupé met rare uitlatingen over haar broer. Haar eigen angst voor de buitenwereld overschreeuwde zij op die manier. Ik schaamde mij diep voor haar gedrag en ook voor wat mijn vader had gedaan. Ik wist toen nog niet precies wat hij had gedaan, maar wel dat hij een oorlogsmisdadiger was die levenslang had gekregen.

Op school leerde ik wat oorlogsmisdadigers deden. Ik zag altijd op tegen het bezoek. Eigenlijk was ik bang voor mijn vader, voor zijn fanatieke blik, zijn strenge brieven en voor zijn verwachting dat ik hem en zijn daden geweldig zou vinden en dol op hem was. Dat was allemaal niet zo, maar ik had min of meer geleerd dat niet te laten merken.

Mama leerde mij altijd om zacht te spreken in het openbaar vervoer en mij beleefd te gedragen naar de grote mensen. Mama leerde mij ook hoe ik samen met haar bijna onzichtbaar kon leven. Maar op een bezoekdag aan papa was dat allemaal onmogelijk. Mama ging nooit meer met mij mee.

Na het naar binnengaan van de gevangenis, door de kleine dikke deur, stond je in een piepkleine entree met mannnen met grote sleutelbossen. Je kon merken dat je niet echt welkom was, want er werden alleen woorden gesnauwd. Nadat allerlei tussendeuren van slot en weer op slot werden gedraaid met rinkelende sleutels, kwam je op een binnenplaats met een grasveld, waar mannen rondjes liepen.

Als die mannen mij zagen, riepen ze allemaal "dag Marijke" en ze zwaaiden naar mij. Ik zwaaide verlegen terug en was weer verbaasd dat die mannen mij leken te kennen. Na de binnenplaats kwam je bij een barak en als wij binnen kwamen, stond papa daar op ons te wachten. Ik had duidelijke instructies van mijn tante gekregen, dat ik blij tegen hem op moest springen. Dan tilde papa mij omhoog en dan moest ik een pakje shag vanuit mijn jaszak in zijn binnenzak duwen. Het lukte altijd, maar ik wist dat ik iets deed wat niet mocht en vond dat naar.

Papa was altijd heel blij om mij te zien, dan glansden zijn ogen en dan zei hij met een lieve stem aardige dingen tegen mij. Ik was dan zelf ook half blij, want ja het was toch mijn vader. Na de begroeting mocht ik papa niet meer aanraken, niet op schoot, zoals in de gevangenis van Leeuwarden nog wel mocht. We zaten aan een lange tafel met aan elke kopse zijde een cipier (of zoals mijn tante zei een "plurk"). Papa zat tegenover mij en tante zat naast mij. Onder de tafel was een lang schot, zodat je de ander ook onder tafel niet aan kon raken. Ondanks de mee luisterende cipiers begonnen we dan een gesprek over mijn schoolprestaties, over zijn ouders, mijn vriendinnetjes enz. Ik vond het altijd bewonderingswaardig dat papa zelf ook met verhalen kwam, terwijl hij in mijn ogen niets beleefde. Hij kon mooie verhalen vertellen over zijn jongensjaren in de Amsterdamse wijk De Pijp, over zijn korfbalclub, over zijn werk in de gevangenis: het naaien van verpleegstersuniformen en over zijn schilderlessen. Maar soms ging het over zijn politieke ideeën en dan veranderde zijn gezicht en was ik weer bang voor hem. Ik probeerde altijd om die verhalen niet te horen, want ik wilde geen deel uitmaken van zijn keuzes in de oorlog. Maar ik durfde niet voluit te zeggen dat ik zijn visie niet deelde. Want ik ging weer naar huis en hij zat gevangen.

Gevangenis

De muren om haar heen zijn hoog

de zware deuren afgesloten

rondom getraliede hoge ramen

en norse bewakers in uniform

Dikke sleutelbossen rink'len

En sluiten krachtig deur na deur

Er is weer licht, een binnenplaats

Een open kooi voor 't luchten

Mannen lopen rondjes ziet ze

in een zinloos ritme na elkaar

dan staan ze stil en zwaaien

naar het kleine meisje daar

Ze kent ze niet, ze kennen haar

haar naam scandeert in 't veld

ze wuift beschaamd van vrijheid

de lucht blijft hoog te zien

De vreemde man die vader heet

is uit zijn cel gehaald

bezoekuur eens in het kwartaal

en niet naar school vandaag

Onder de tafel zit een schot

om aanraken te voorkomen

en twee cipiers luisteren mee

als ze moedig toch gaan praten

Wat slecht is weet ze niet zo goed

ze kan er niet van slapen

maar oma zegt boos tegen haar

je bent precies je vader

Zij is altijd zo vreselijk bang

voor wat ze ziet en voelt

en dat zij niemand zeggen kan

dat straf een misdaad lijkt.

De brieven

Vanaf mijn jongste herinnering stuurde papa elke week een brief vanuit de gevangenis. Hij mocht per week één klein velletje postpapier gebruiken, De brief werd altijd bezorgd bij zijn ouders en was ook bestemd voor zijn zus en zwager die daar inwoonden. Het velletje was aan twee kanten beschreven in een klein regelmatig, goed leesbaar handschrift. Driekwart van de brief was voor de volwassenen, één kwart was speciaal voor mij. Elke woensdag- of zaterdagmiddag was ik bij oma L. en rond etenstijd las ik onder het toeziend oog van opa de brief van papa. Oma L. haalde mij op van zwemmen, want ze mocht mij niet meer van huis halen, omdat mama en oma kwaad op elkaar waren. Oma L. had mama er toen ik vijf jaar was van beschuldigd dat zij met mij naar Amerika wilde emigreren. Wat impliceerde dat oma haar enige kleinkind niet meer zou zien en dat haar zoon zijn dochter zou kwijtraken. Mama ontkent dit verhaal tot op heden, maar oma L. zei dat het was bevestigd door het Amerikaanse consulaat. Kortom, de twee mensen van wie ik het meest hield: mama en oma L. wilden elkaar niet meer zien.

Oma L. wachtte mij op in de ijssalon op de hoek bij het zwembad en samen gingen wij met twee trams naar De Pijp. Oma L. ging met mij naar de Albert Cuypmarkt, ze maakte chocolademelk die ik zelf mocht roeren, bakte boterkoek waarvan ik een klein bolletje deeg mocht proeven. Kortom, bij oma L. was het altijd gezellig en oma keek naar mij met warme ogen. Dat was ik bij oma thuis niet gewend, daar moest ik altijd stil zijn, ik mocht niet eens in de keuken komen, laat staan meehelpen. Ik deed daar alles verkeerd. Toen ik was groter was, bracht opa thuis – die wel aardig was – mij naar de halte van lijn 3, zodat ik niet over hoefde te stappen en wachtte oma L. mij op de halte op, als ik uitstapte. Ik denk dat de afspraken per briefkaart werden gemaakt, want niemand had nog telefoon.

Om terug te komen op die brieven, ik las de brief en dan bestond papa weer echt. Ik kon niet net als thuis doen alsof er geen papa was. Papa schreef meestal leuke brieven, soms wel streng, vooral dat ik beter mijn best moest doen op school. Op de lagere school had ik al zoveel zorgen, dat ik niet echt open stond voor de leerstof. Opa L. stond er op dat ik terug schreef en dat vond ik niet altijd leuk om te doen. Als ik het echt vertikte, dan dicteerde opa het briefje aan papa. Ik mocht de brieven van papa niet mee naar huis nemen, want mama was bang dat iemand de rode stempels van de censuur zou zien. Papa heeft heel lang ansichtkaarten van Amsterdam gespaard. Hij vroeg altijd of we kaarten van zijn geliefde stad wilden sturen. Rond mijn twaalfde heeft hij mij een boek vol met die kaarten gegeven. Een prachtig cadeau, want andere cadeautjes kon hij mij niet geven. Mama heeft mij gedwongen dit boek weg te gooien, want op de achterkant van de kaarten stond het adres van de gevangenis in Breda. Het voelde alsof ik het grootste bezit van papa weg moest doen.

Dit waren de zorgen waardoor ik niet kon leren: het heen en weer getrokken worden in de loyaliteit tussen papa en wat hij gedaan had en mijn familie thuis. Mama won altijd, want mama was goed en ik was dol op haar. Maar mama werkte de hele week en oma was de baas in huis. Als mama uit haar werk kwam, vertelde oma tijdens het eten wat ik die dag weer allemaal had misdaan en dan sloeg mama mij in het gezicht, terwijl oma toekeek. Want de afspraak was dat oma mij niet zou slaan, maar mama. Dat was dan wel uren nadat ik iets misdaan zou hebben. Ik kende hun afspraak niet. Oma sloeg me niet, maar strafte mij op andere manieren. Ik speelde zoveel mogelijk op straat, want zodra ik binnen was begon het getreiter.

Toen papa ongeveer 75 jaar was, kreeg ik al mijn aan hem geschreven briefjes terug en wat knutselwerkjes van klei. Hij bleek alles te hebben bewaard. Als ik naar die briefjes kijk zie ik mijn eerste hanenpoten, mijn taalfouten, mijn door opa L. gedicteerde stukjes en mijn andere brieven tot mijn veertiende jaar. De laatste brieven zijn wat bozig afhoudend, want papa zou vrij komen en hij begon mij in zijn toekomst te trekken en daar was ik bang voor. Het zal hem ongetwijfeld hebben bezeerd. Het zijn honderden brieven, mijn hele jeugd in een notendop. Ik kan er in terugvinden hoe mijn vriendinnetjes heetten, mijn juffen, mijn vakanties en allerlei andere dagelijkse dingen. Er staat geen woord in over nare gebeurtenissen thuis, op school of waar dan ook. Ik denk dat de afspraak was dat ik papa alleen zou schrijven over prettige onderwerpen, net zoals papa mij alleen goede berichten stuurde. We hebben wat afgelogen met zijn tweeën om elkaar te sparen. Echter door de trouwe briefwisseling en het bange zwijgen zodra het er om ging, is er toch een band tussen ons ontstaan die onverbrekelijk is. Hoewel we elkaar daarna min of meer regelmatig zagen, hebben we niet echt een volwaardige vader/dochter relatie opgebouwd. Maar ik ben wel zijn bange dochtertje gebleven, dat zich ontrouw voelt als ze over hem schrijft.

N.B. Deel 1 van Het kind, de school en de vader is een inleiding. De andere vier delen zijn losse herinneringen met een eigen titel. 

 
Tijdlijn
  • 1942
  • 1943
  • 1944
  • 1945
  • 1946
  • 1920 - 1929
  • 1930 - 1939
  • 1940 - 1949
  • 1950 - 1959
  • 1960 - 1969