Kinderen over 'foute' ouders

Lettergrootte:    
De oorlogsdagen in mei 1940
21-11-1940 tot 21-11-1940
Hechtenis van mijn ouders

Deze dagen waren voor mij heel zwaar, omdat mijn ouders zonder meer in het politeigebouw in Rotterdam werden opgesloten. Ik werd naar mijn grootmoeder gebracht en beleefde daar het bombardement op Rotterdam.

Het was mooi weer op 14 mei 1940. De straat blonk in het zonlicht. Je kon je niet voorstellen, dat
het nu ineens oorlog zou moeten zijn. Door de radio kwamen berichten van zware gevechten op de Grebbeberg en duitse parachutisten waren neergekomen bij Rotterdam. In de straat was het stiller dan normaal, maar van oorlogsgeweld was niets te horen.

Een goede week daarvoor, op Hemelvaartsdag, was ik nog met mijn ouders en een oudere zuster van mijn moeder naar de bollevelden geweest en had genoten van de schitterende kleuren. Zou dat nu alles voorbij zijn? Ook mijn ident-foto met mijn poes ontstond nog een paar dagen voordien.

Ongeveer 15 mensen van ons personeel waren op die ochtend verschenen, de andere woonden aan de andere kant van de Maas en konden dus niet komen. Mijn vader schrijft in zijn levensloop, die hij in het kamp in 1947 opstelde, over deze morgen, dat hij toen een korte toespraak hield: „Mannen, wat nu gebeurd is, had ik nooit kunnen denken, dat de duitsers ons land zouden binnen rukken, het is verschrikkelijk. Wij blijven echter 100% trouw achter onze geeerbiedigde koningin staan en onze plicht bij ons werk vervullen. Daarna riep ik met mijn mannen een driewerf „hoera“ op onze koningin uit“. Mijn vader was vanaf zijn jeugd een vurig aanhanger van het koningshuis. Ik weet me nog te herinneren, dat er op feestdagen zoals op Koninginnendag voor de oorlog bij ons vlaggen uithingen: de nationale vlag met een oranje strook er naast en de NSB-vlag.

De twee dagen daarna verliepen in een beklemmende en afwachtende atmospheer. Maar op zondag 12 mei kwam er een grote verandering voor ons gezin. Toen ik 's morgens uit het raam van onze erker op de straat keek, zag ik een familielid van onze bovenburen in gesprek met een soldaat, die door de straat patrouilleerde. Ze wees ineens naar ons huis en het duurde niet lang, of er werd aan onze deur gebeld. De soldaat kwam mijn vader arresteren en hij moest gelijk meegaan. Op deze aktie past waarschijnlijk het verhaal, dat mijn vader wel eens vertelde. Ergens in de stad richtte deze soldaat ineens zijn pistool op mijn vader. Mijn vader zei dan, dat hij zich zo rustig en beschermd voelde en tegen die soldaat uitte, dat hij dat beter niet zou doen; op hem te schieten. Daarop liet die soldaat het revolver zinken.

Die bovenburen, ook gelijktijdig onze huurders van de woning in het huis, dat mijn grootvader in 1905 had laten bouwen, waren van joodse gezinning. Ik hoorde soms vrijdags in de erker, waar het gehorig was, hoe die familie zich boven voor dat venster verzamelde, redeneerde en zong. Ofschoon ik met hun jongste zoon, Siegfried, samen op de lagere school ging en we toch dikwijls de weg naar en van de school naar huis samen liepen, ben ik maar heel weinige keren bij die familie boven geweest. Sigi kwam wel dikwijls bij ons thuis, waar mijn moeder hem dan in de tijd van de mandarijnen snel naar de keuken wees, om zijn handen goed te wassen, want ze aten blijkbaar veel van deze vruchten en mijn moeder kon die geur niet uitstaan. Verder had ze er niets op tegen, dat hij kwam. Maar toch mocht hij wel niet zo dikwijls komen voor zijn moeder. Ik had ook meerdere andere vriendjes uit de straat. Met een van hen sta ik nog steeds regelmatig in verbinding. Het viel me nu wel op, dat Siegfried niet op de foto van de tweede klas staat. De reden ken ik niet.

De verbinding tussen de families uit de straat was, zoals gebruikelijk in grote steden, niet zo goed. Toen mijn vader voor de oorlog een opdracht van gemeentelijke instanties kreeg, de bewoners uit onze straat te bezoeken en hen in te lichten over de mogelijkheden van bescherming bij eventuele oorlogsomstandigheden, kwam hij soms enthousiast naar huis, wanneer hij weer iemand had leren kennen, die al net zo lang in de straat woonde, zonder dat ze zich bewust gezien hadden.

Dat was dus een moeilijke situatie voor mijn moeder en mij, dat mijn vader ineens werd weggehaald. En twee dagen later, op de 14de mei wird 's morgens mijn moeder ook ineens van huis afgehaald zonder dat zich iemand van die lieden om mij bekommerde. Enkele van het personeel heb ik het te danken, dat ze een taxi wisten te organiseren, die mij naar mijn grootmoeder in Kralingen bracht. Daarbij gebeurde nog een heel onbegrijpelijke handeling. Toen ik met mijn poes in mijn armen uit de huisdeur kwam om naar de taxi te lopen, stonden de vier kinderen van die joodse familie, waaronder ook mijn schoolvriend, op de straat te dansen en te juichen. Dat was dus een onaangenaam afscheid. Die familie heb ik nooit meer gezien en heb ik ook niets meer over hen van andere buren vernomen. Waarschijnlijk zijn ze helaas ook bij de holocoust omgekomen.

Bij mijn grootmoeder waren op die dag met uitzondering van mijn ongehuwde tante, die bij mijn grootmoeder woonde, nog twee tantes met nun echtgenoten. Die woonden aan het Haringvliet en werden door militairen gewaarschuwd, hun woning snel te verlaten vanwege het gevaar van krijgsgeweld. Na het bombardement hadden ze alles verloren.

Het was nu tijd om te eten en mijn grootmoeder drukte de bel, die aan de lamp hing, om haar dienstbode in de keuken te beduiden, dat opgediend kon worden. We waren net met het eten begonnen, toen opeens een oorverdovend lawaai van vliegtuigen te horen was en de sirenes te loeien begonnen. Een van mijn ooms nam de verantwoording op zich, voor ons een veiliger plek te vinden. Hij dacht, dat dit wel in de ruimte tussen de twee grote kamers van het herenhuis te zoeken was. We moesten ons alle op de grond leggen, waarbij ik me nog goed herinner aan de moeite, die mijn zware grootmoeder bij deze onderneming had. Dus lagen we alle op de grond – mijn grootmoeder alleen maar op haar knieen - en luisterden angstig naar het lawaai van het bombardement. Opeens begon de bodem te bewegen en te trillen. De oorzaak was een bom, die in een nabijgelegen huis ingeslagen was, zoals we later zagen.

Na ongeveer een halfuur werd het langzaamaan rustiger, de vernielende macht had genoeg aangericht. De voorruit in de voorkamer was door de detonatie van die bom stuk gegaan. Mijn twee ooms vonden ergens hout, om het gat op te vullen. Een van mijn tantes sloeg voor, naar kennissen op het platte land niet zo ver van het huis van mijn grootmoeder te gaan, want we wilden niet meer langer in de stad blijven. Je wist niet, hoe het verder zou aflopen. Toen we onderweg gingen, zagen we boven de daken uit, dat de hele binnenstad brandde. Een grote donkere wolk steeg in de hemel. Ik had natuurlijk grote angst om mijn ouders, die daar ergens hopelijk nog levend waren.

Door die kennissen van mijn tante werden we hartelijk ontvangen en konden daar ook overnachten. Aan die nacht herinner ik me niet meer zo goed, maar een grote vreugde was het, dat
's morgens mijn ouders ineens voor de deur stonden. Ze waren in het politieburo opgesloten gewezen, dat midden in de stad naast het stadhuis gelegen was. Daar zaten ze met vele andere NSBers bij elkaar en moesten het bombardement van dichtbij meemaken. Die mensen wilden natuurlijk zo snel als mogelijk daaruit bevrijd worden en riepen de wachter, dat hij de deuren zou openen. Hierover berichtten mijn ouders, dat deze bewaker heel rustig bleef en riep: „Wees maar niet bang. Ik laat jullie er allemaal uit“.

Mijn ouders liepen natuurlijk gelijk door de brandende stad naar ons huis toe, dat ze niet beschadigd voorvonden. De huizen tegenover ons waren echter wel door bommen geraakt en door brand gedeeltelijk verwoest. Door bemiddeling van ons personeel hebben mijn ouders blijkbaar gehoord, dat ik met een taxi naar mijn grootmoeder was gebracht en daar hadden mijn ooms zeker wel een teken achtergelaten, waarheen ze gegaan waren. Zo was de familie gelukkig weer spoedig vereend na een heel onrustige en bange tijd.

We gingen weer spoedig terug naar het huis van mijn grootmoeder; daar verwachtte ons een tweede weerziens. Plotseling kwam in de tuin onder een plant vandaan onze poes te voorschijn. Na een gezamelijk eten liepen we na korte tijd naar onze woning terug.

Onderweg zei mijn vader nog bij het zien van meerdere verwoestingen, dat hij niet begreep, hoe Hitler dit had kunnen toelaten. Dat klinkt naief, maar dat was zijn indruk van de partij. Het is daarom zo erg, dat hem zoveel ongemak en onrechtvaardigheid na de oorlog aangedaan is. Hij leefde hoofdzakelijk voor zijn familie en voor zijn mannen in zijn bedrijf. Daarom was hij ook getroffen door het bericht, dat koningin Wilhelmina met de regering intussen naar Engeland was gevlucht.

 
Tijdlijn
  • 1938
  • 1939
  • 1940
  • 1941
  • 1942
  • 1920 - 1929
  • 1930 - 1939
  • 1940 - 1949
  • 1950 - 1959
  • 1960 - 1969