Kinderen over 'foute' ouders

Lettergrootte:    
7. Vrijlating, halverwege 1946
1946
Mijn moeder en zusje hadden inmiddels gastvrij onderdak gevonden bij de twee vriendinnen van moeder over wie ik al eerder in deze kroniek berichtte. Die woonden nog steeds in hun ouderlijk huis en hadden het vanuit hun christelijke principes vanzelfsprekend gevonden mijn ouders en zusje huisvesting te bieden zolang ons gezin nog geen eigen woonplek had . Van ons huis stond immers geen steen meer op de andere. Mijn vader was weliswaar nog steeds niet vrijgelaten, maar zodra dat het geval was kon ook hij gebruik maken van dit tijdelijk onderdak. En dat heeft geduurd tot m'n ouders een nieuwbouwwoning konden huren, ik denk zo medio 1948.

Zelf kwam ik voorlopig in huis bij de familie van de dominee, een nog jong gezin met 3 kinderen. De familie K. in diaspora was dicht bij elkaar ingekwartierd ! Ik mocht voorlopig gebruik maken van de werkkamer van de dominee die hij daarvoor had ontruimd.

De dag na mijn vrijlating kon ik al meteen aan de slag bij de firma B., een werkplek als "assistent boekhouder", van tevoren door moeder in overleg met Jeugdzorg geregeld.

Mijn moeder kende het echtpaar B. goed, want B. was bedrijfsleider van de gereedschappenzaak van H., onze overbuurman. B. had blijkbaar kans gezien na de oorlog voor zichzelf te beginnen in het pand van een gereedschappen groothandelaar, voormalig districtsleider van de N.S.B. en ex-werkgever van een van mijn broers. Nogal veel toevalligheden, merk ik al schrijvend !

Al was dit baantje niet m'n eigen keuze, ik zag wel kans om er iets van te maken doordat in en verkoopadministratie een puinhoop was die uitgezocht moest worden. Dat lag me wel. Een van de eerste dingen die ik deed met m'n zelfverdiende geld was het terugbetalen van fl. 10, aan de makelaar in Drenthe !

Ondertussen was de vrijheid zo overweldigend, voorlopig althans, dat daardoor de teleurstelling van het niet naar de universiteit gaan werd verdrongen. Her en der ging ik op zoek naar oude vrienden en bekenden; een moeizaam werkje omdat niemand op zijn of haar oorspronkelijke plek zat. Maar had je iemand teruggevonden dan wist die vaak wel weer het adres van een ander. Van tijd tot tijd kwam je ook mensen tegen die je oppervlakkig kende en die meenden je de les te moeten lezen over "die zwarte bladzijden uit je levensboek" en dan doelde men vooral op de wandaden in concentratiekampen. Wanneer ik merkte dat ze meenden dat ik daar wel van afgeweten zou hebben vertelde ik hun dat ze in dat geval niet eens met me zouden moeten willen praten !

Omstreeks die tijd kregen we bericht dat mijn broer, die na veel omzwervingen door kampen in Duitsland in Nederland was teruggekeerd , via Amersfoort overgebracht was naar Fort Honswijk. Kort daarop, in Augustus, werd mijn vader uit het kamp in Wezep ontslagen. Hem werd geen enkele maatregel opgelegd ! Ik was niet alleen blij voor hem maar ook verbaasd; daarna ben ik nooit meer een soortgelijk geval tegengekomen.

Toen hij vrij kwam was het in Nederland vacantietijd en hij en ik zijn toen samen een paar dagen met de fiets op stap gegaan. In één dag naar Abbenes in de gemeente Lisse, waar een vriendin van moeder woonde die een schoenmakerij had en nadat haar man overleed met de veel jongere meester knecht getrouwd was. Dat laatste vermeld ik hier omdat ik naderhand begreep dat vader dat reisdoel min of meer op verzoek had uitgekozen. Men hoopte dat hij misschien een verzoenende rol kon spelen in een ernstig conflict tussen de beide echtelieden.

Tijdens de fietstocht sprak vader met me over mijn oudste broer. Hij vertelde dat er bericht uit Duitsland was gekomen dat hij vermist was en dat we er daarom vanuit moesten gaan dat hij nooit meer terug zou komen . Ik herinner me niet hoe ik toen gereageerd heb ; wel weet ik nog dat bij mij so wie so alle hoop langzamerhand al was weggeslonken dat we hem ooit nog zouden terugzien. En eigenlijk had ik ook het gevoel dat dit misschien wel het beste was. De oorlog had hem mentaal kapot gemaakt en ik denk ook onherstelbaar kapot. Hij was een jongen die veel begrip en aandacht had voor anderen, zoals ik ook na de oorlog van vrienden van hem ,die niets van het nationaal socialisme moesten hebben, verschillende keren gehoord heb.

De jongere broer was van ander kaliber. Na kamp Honswijk is hij nog in de kampen Millingèn en Wezep geweest en ten slotte, na zijn voorwaardelijke vrijlating op 3 juni 1947, nog een tijd "heropgevoed" in een tehuis voor jeugdige politieke delinquenten, opvolger van de Heidepol maar dan alleen voor jonge mannen van ca. 20 tot 25 jaar. Dat instituut was inmiddels gehuisvest in Kampen en stond nog steeds onder leiding van mijn voormalige docent. Vanuit dat adres gingen de her op te voeden ex delinquenten dan naar hun werk. Mijn broer had in Kampen al snel een baantje bij een streng gereformeerde boekhandelaar met een leuke dochter die prompt verliefd werd op `m. Ze is nog wel eens bij ons op bezoek geweest; de tegenwerking uit beide achterbannen was echter zo groot dat de romance doodbloedde.

Mijn broer leek mentaal ongebroken en was er op gebrand zich zo te gedragen dat men nauwelijks merkte dat hij een been kwijt was. Na zijn terugkomst op de basis, omstreeks 1949, gingen we er nogal eens samen op uit. Ik herinner me dat hij dan, met mij achterop, een eind fietste onderweg naar een gezamenlijke kennis.

Wat mezelf betreft waren de omstandigheden inmiddels op een paar punten drastisch gewijzigd. Mijn ( kinderloze ) toezicht pleegouders hadden er wijselijk de brui aan gegeven hun taak uit te oefenen nadat ik ze verteld had geen behoefte te hebben aan een extrastel opvoeders aangezien m'n eigen vader en moeder uitstekend in staat waren hun ouderlijke plichten te vervullen. Op m'n werk was ik tegen eind 1946 naar de directeur eigenaar gegaan voor een aanpassing van het salaris; die zei dat hij van plan was het salaris wat te verhogen maar dat hij eerst de balans van het bedrijf wilde afwachten. Ik vertelde hem dat ik aan m'n eigen balans moest denken en had zo de pest in dat ik 's avonds na kantoortijd meteen ging solliciteren bij het accountantskantoor dat onze administratie controleerde. Een van de twee firmanten woonde niet ver van het pand waar kantoor gehouden werd en ik kon direct naar hem toe nadat een secretaresse die nog laat aan het werk was hem thuis had opgebeld. Daar aangekomen deed ik m'n sollicitatieverhaal en dat sloeg aan. De andere vennoot werd opgebeld met 't verzoek er even bij te komen om de zaak af te ronden. Aldus geschiedde en we werden het snel eens over de voorwaarden, ook over hun eis aan mij om verder te studeren voor de noodzakelijke NIVA diploma's : (tegenwoordig NIVRA)

Voor we definitief tot een accoord kwamen zei ik dat er nog een omstandigheid was die voor de heren aanleiding zou kunnen zijn het gesprek als geëindigd te beschouwen en vertelde toen over mijn thuis achtergrond en detentie. Aan het einde van dit verhaal nam één van beide heren het woord en zei dat m'n verleden inderdaad aanleiding was om het gesprek als geëindigd te beschouwen ; een zoon van hem was kort voor het einde van de oorlog gefusilleerd door de Duitsers en hij veronderstelde dat ik zou begrijpen dat 't voor hem onmogelijk was mij in dienst te nemen.

Ik zei dat ik dat vanzelfsprekend vond en hij voegde er nog aan toe dat hij mij succes wenste voor m'n verdere toekomst want dat zijn reactie niet tegen mij persoonlijk gericht was.

We namen op een waardige manier afscheid van elkaar; ik was behoorlijk in de war en maakte even pas op de plaats met verdere sollicitaties. Een week later kreeg ik van ons accountantskantoor een vertrouwelijke mededeling met het adres van een collega die over mij was ingelicht en waar ik zonder probleem zou kunnen solliciteren. Dat heb ik toen gedaan en werd zonder verdere poespas direct aangenomen, ik meen per 1 januari 1947, als assistent accountant op een kantoor zetelend in een fraai pand in de stad. Daar heb ik met buitengewoon plezier gewerkt, ook al omdat ik na een korte inwerkperiode zelfstandig op klanten losgelaten werd om hun administraties te controleren. Mijn "patroon", zoals hij zichzelf aanduidde, was een zeer kundig en sympathiek man en bovendien ten opzichte van mij bijzonder loyaal. Zo gebeurde het op een gegeven ogenblik dat ik bij een cliënt kwam waar ik nog nooit geweest was en daar onder het personeel iemand aantrof die ik nog oppervlakkig kende uit de tijd dat we bij het notarisgezin woonden. Hoe hij aan die wetenschap kwam weet ik niet, maar hij vertelde aan z'n werkgever blijkbaar het een en ander waardoor deze aan mijn directeur de eis stelde in het vervolg een andere assistent te sturen. Mijn baas stelde mij daarvan op de hoogte en vertelde erbij dat hij graag bereid was de eis van de klant te negeren en dus te riskeren dat deze een andere accountant zou kiezen. Dat standpunt van mijn "patroon" was voor mij ruim voldoende en een andere assistent nam het controle werk voor die cliënt van me over. 15 Jaar later kwam ik vanuit een heel andere werkkring weer in aanraking met dat bedrijf, waar de zoon inmiddels belangrijke taken van z'n vader had overgenomen. Sindsdien hebben we steeds een vriendschappelijk zakelijk contact onderhouden en vanaf 1985 tot 2000 zelfs samen in het bestuur van een branche vereniging gezeten. Het kan verkeren !

Tijdens m'n werkzaamheden als assistent accountant kwam ik ook ter controle bij bakker F. R. eveneens een klant van mijn werkgever. Ik herkende hem uit de periode dat ik op Avegoor had gezeten, al had ik hem in die tijd nooit persoonlijk ontmoet. F. was een zeer impulsief man. De laatste keer dat ik bij hem op de zaak kwam, ik denk in 1948, had hij de Fiscale Recherche op bezoek en was zo opgewonden dat ie me onder het slaken van verwensingen direct de deur weer uitgooide.

 

 
Tijdlijn
  • 1944
  • 1945
  • 1946
  • 1947
  • 1948
  • 1920 - 1929
  • 1930 - 1939
  • 1940 - 1949
  • 1950 - 1959
  • 1960 - 1969