Kinderen over 'foute' ouders

Lettergrootte:    
2. Toen de oorlog begon
05-1940
Ook al was ik toen maar 5 jaar, een heleboel episodes hebben indruk op me gemaakt. En kan me deze nog heel goed herinneren.

Voor mijn zuster en mij werd er onder de portiektrap een slaapplaats gemaakt omdat daar rondom de stevigste muren van het huis stonden. In die ruimte was er ook nog plaats voor een wasketel die gevuld was met in waterglas geconserveerde eieren. Men had dus duidelijk de oorlog zien aankomen en maatregelen genomen door wat voedsel te hamsteren. Verder werden de ramen beplakt met repen plakpapier waarvan ik toen het logische niet kon begrijpen. Rotterdam werd gebombardeerd en vader, samen met andere politiemensen werden er heen gestuurd om hun collega’s daar te helpen. Na een paar dagen kwam hij smerig en met opgelopen kleine verwondingen terug.

Nadat hij thuis was gekomen zijn mijn ouders begonnen met het inzamelen van kleren en beddengoed voor de slachtoffers in Rotterdam. In de buurt gingen zij van deur tot deur en spraken iedereen aan een bijdrage te leveren. De woning die bij ons om de hoek leeg stond werd beschikbaar gesteld en iedereen kwam met spullen aansjouwen. De hele 4-kamer woning werd tot aan de zolder afgeladen met beddengoed, kleding, speelgoed enz. Als kind heeft dit grote indruk op me gemaakt. We speelde buiten en zo kon ik zien waar Pa en Ma mee bezig waren. Het waren zoveel goederen dat enige verhuiswagens werden volgeladen die naar Rotterdam gingen. Op de straatweg naar Rotterdam stonden bij Ypenburg ettelijke Duitse vliegtuigen die daar een noodlanding hadden gemaakt en eerst terzijde moesten worden geschoven voordat de vrachtwagens verder konden.

De oorlogsdagen heeft ons persoonlijk geen leed veroorzaakt. We hoorden wel het overvliegen van vliegtuigen en hoorden niet ver van ons vandaan bommen briseren maar verder is er niets gebeurd.
Deze bommen kwamen van Duitse vliegtuigen die aangeschoten waren en een plaats voor een noodlanding zochten. Deze wilden van de bommen af en gooiden ze daar waar ze die kwijt konden. In dit geval op huizen in bewoonde gebieden wat natuurlijk catastrofale gevolgen had.

In die tijd was mijn vader, die een prijswinnend amateur fotograaf was, al bij de fotografische dienst van de politie en deed ook recherche werk. Moord, diefstal en andere criminele handelingen gingen gewoon door en werden misschien wel erger in die tijd en dus ook het politiewerk werd meer intensief. De aanslagen van de illegaliteit om distributiebonnen voor onderduikers te bemachtigen namen ook meer en meer toe. Ook moorden op gehate NSB’ers en Duitse militairen e.d. namen toe. Het schijnt dat tijdens de bezettingsjaren voor het oplossen van deze gewelddaden de Nederlandse politie hierbij tamelijk nauw met de Duitse politie autoriteiten te hebben samen gewerkt.

Degenen die roofovervallen, diefstallen en moorden pleegden lieten geen kaartje achter waarop stond of zij tot de “echte“ illegaliteit behoorden of dat het criminele individuen waren die voor de zwarte handel werkten. De grenzen tussen criminele- en politieke recherche bestond in theorie maar werkten niet de in praktijk. Hoe ongelooflijk het ook mag klinken, er ontplooide zich tussen politie en “echte” illegaliteit kontakten die via enige advocaten werden onderhouden. Dit was voor deze advocaten een levensgevaarlijke bezigheid omdat ze ervan beschuldigd konden worden meelopers met de bezetters te zijn. Deze deden voor de gearresteerde echte illegalen goed werk. Dit gaf argwaan bij de criminaliteit die dan ook een paar van deze advocaten hebben vermoord.

Een schoolvriendje

Rond de meidagen 1940 was ik op een Montessori kleuterschool. Eerst werd ik door mijn moeder naar school gebracht. Later voordat ik naar de lagere school ging, ik moet dan 6 jaar oud zijn geweest, ging ik zelf naar school. Op weg hierheen haalde ik altijd een schoolvriendje van huis en we gingen samen verder. Op een gegeven dag had hij een gele ster op zijn donkerblauwe jasje. Hoe ik daarop reageerde weet ik niet meer maar ik bleef daarna hem steeds van huis halen tot op een gegeven dag ik bij hem aanbelde. De deur werd echter niet geopend. Ik belde nog een paar maal aan maar steeds geen gehoor. Plotseling werd het kleine raampje in de deur voorzichtig geopend en zijn moeder zei mij aandringend maar fluisterend dat ik niet meer langs mocht komen en dat ik gauw moest verdwijnen. Ik was enigszins geschrokken van de manier waarmee ze optrad en deze reactie is me altijd bijgebleven. De oorzaak van haar optreden is niet moeilijk te gissen. Mijn schoolvriendje heb ik na die dag nooit meer gezien.

 
Tijdlijn
  • 1938
  • 1939
  • 1940
  • 1941
  • 1942
  • 1920 - 1929
  • 1930 - 1939
  • 1940 - 1949
  • 1950 - 1959
  • 1960 - 1969