Kinderen over 'foute' ouders

Lettergrootte:    
1. De eerste oorlogsjaren (1)
05-1940 tot 1942, Haarlem
De oorlog breekt uit. Alle NSB-ers werden gearresteerd en vader werd thuis opgehaald door soldaten met revolvers en geweren; het hele huis werd doorzocht. Soldaten met geweren bleven tegenover ons huis patrouilleren. We mochten niet op straat spelen en moesten zo veel mogelijk binnen blijven. Iedereen liep ons straal voorbij of schold ons uit. Van de ene dag op de andere geen vriendjes meer. Na een paar dagen kwam vader moe en bleek weer thuis. Ik begreep er niets van en werd het mikpunt van al mijn vroegere vriendjes en andere jongens in de buurt.

In Nederland tot 1942

Veranderende relaties in het gezin
Mijn oudste broer H., die bijna veertien was, begreep precies wat er aan de hand was, en was het niet eens met mijn vader. Er groeide een duidelijke splitsing tussen H. en vader en hij hield zich dikwijls afzijdig of had rake opmerkingen waar ik niks van begreep. Hij hield ook al zijn vrienden en ging nog steeds met hen naar de verkenners tot dat verboden werd, en daarna hielden ze nog steeds contact in het geheim.

H. moest bij de Hitlerjugend. Die had daar uiteraard helemaal geen zin in. Ik geloof, dat ik hem maar één keer met zijn uniform aan heb gezien. Zijn vrienden schenen er begrip voor te hebben en hij bleef ze houden. Er werd al gauw gesuggereerd dat ik me bij de Jeugdstorm of Deutsche Jugend moest aansluiten en ik wachtte in bange spanning af wat er zou gebeuren. L. en W. waren nog te jong om daarmee lastig te worden gevallen.

In normale families is het gewoon dat oudere broers het opnemen voor de jongere broertjes als er geruzied wordt op straat. Als ik gepest werd vanwege mijn vader, had ik niets aan H.. Waarschijnlijk wilde hij zich niet compromitteren tegenover zijn vrienden, moest hij laten zien dat hij het met mijn 'aanvallers' op z'n minst niet oneens was. Gevolg was dat ik wel helemaal alleen stond. Achteraf beschouwd is het ook wel te begrijpen: hij was zes jaar ouder dan ik en hij en zijn vrienden (14 jaar) waren uiteraard niet hevig geïnteresseerd in 'n jochie van acht.

Vóór de oorlog ging ik nogal eens uit met Hans, achter op de fiets naar de duinen of naar het strand. Ik kan me maar heel weinig gelegenheden gedurende de oorlog herinneren dat ik met mijn ‘ grote broer’ gewone jongensactiviteiten ontplooide, of met hem uitging.
Na school moest ik altijd rechtstreeks naar huis omdat ik anders tegen een vechtpartij opliep met sommige jongens. Thuisgekomen was het meteen rozenkransen en litanieën bidden, novenes van Clemens Maria Hofbauer. Er werd gebeden voor familie in Duitsland, Onkel Paul en Onkel Philip aan het front, later voor vader aan het Ostfront, bombardementen in Ruhrgebiet. Veel gelegenheid om buiten te spelen was er dus niet meer bij. Er is heel wat afgebeden met de blote knieën op de kokosmat!

Maar we konden dan ook wel eens boven spelen en dan speelden we dikwijls 'kerkje'. Moeder had er haar zinnen op gezet dat ik priester zou worden en ik had dan ook alle attribuutjes: van altaartje, bellen, albe en singel, kazuifeltjes met stola’s en manipels, kelkje met pateen, kelkdoekje en kelkkleed, ampullen tot en met wierookvat met echte wierook (gebietst bij Ome Hendrik, de koster) en wijwaterkwast met vat.

Toch gebeurde het wel eens dat ik op straat kon spelen. Als ik het ‘treintje-spelen’ ging uitzetten, met krijtrails over de hele straat en soms om het hele blok, vond ik meestal wel wat jongens om mee te spelen.

Wat verder in de tijd had ik had al genoeg verhalen over die Kriegsmarine en de Luftwaffe gehoord en was genoeg gehersenspoeld om ook wel eens een plattegrond van een Kreuzer over de halve lengte en hele breedte van de straat te tekenen, maar ik kreeg er nooit veel 'Mannschafte' voor om alle posten te bemannen. De buurjongens dachten meer aan Spitfires en Hurricanes terwijl ik meer in de Stuka’s en Messerschmitts de oorlog voerde. Ik geloof dat ik alleen L. en W. zo ver kreeg en we 'stegen' met veel ge¬schreeuw en wijduit gespreide armen met onze Stuka's van het dek op om ergens anders te gaan bombarderen. Begrijpelijk dat de buren verderop (om meer dan één reden!) er wel eens genoeg van kregen en ons toeschreeuwden dat we maar ons eigen huis plat moest gooien.

NSB-vlag... Aanplakbiljetten.... ‘Volk en Vaderland’
Pa vlagde ook vol enthousiasme; hij had een levensgrote NSB-vlag aange¬schaft, ik schat 1,80 x 3 meter. Zwart en rood en in het midden het N.S.B. insigne. Die werd, bevestigd aan een lange witte vlaggenmast van zo'n vijf meter en dan via haken en klemmen vanuit mijn slaapkamerraam naar buiten geschoven. Volgens mijn gevoelen zette die vlag de halve straat af!
Ik had het er niet zo op; als er nog iemand was die niet wist waar ik woonde door de HOU ZEE!! en Koenraad van de Arbeidsdienst-posters, die altijd achter onze ruiten hingen, kon het nu al helemaal niet missen.
Van mijn leeftijdgenootjes kreeg ik ook vaak te horen dat mijn vader WC-Papier verkocht als hij weer op stap was met zijn lijfblad ‘Volk en Vaderland’. Treiterend werd er vanaf verderop in de straat gezongen:

Op de hoek van de straat staat een N.S.B.-er.
‘t Is geen man, ‘t is geen vrouw, maar een farizeeër.
Met zijn krant op zijn buik staat hij daar te venten,
verkoopt zijn Volk en Vaderland
Voor wat halve centen.

Bij de ‘Jeugdstorm’?
1942: Ik was tien jaar en vader vond dat ik bij de Jeugdstorm moest. Ik wist dat die overal nogal veel uitgescholden werden, en ik had er geen zin in. Vanwege de hetze in de buurt tegen de Jeugdstorm beschouwde ik hen zelf ook als rare buitenwereldse wezens, maar waarom wist ik niet. Ik werd al genoeg gepest zonder dat gekke zwarte wollige petje met oranje bovenkant dus dat hoefde er van mij niet ook nog bij!
Halfjankend ging ik met vader een kijkje nemen, en toen had ik er al helemaal geen zin meer in. Misschien schrikte het grote, oude gebouw aan het Spaarne me af, of had ik onbewust een afkeer van de overdreven vriendelijkheid van de leiders en hun kruiperige gedoe tegenover zo’n gewichtige ‘hoge Ome’ als mijn vader. Ik was vroeger wel eens met H. bij de verkenners geweest en de atmosfeer was daar heel anders, ook al probeerde vader me wijs te maken dat het hier hetzelfde toeging. Ik geloof dat ik er één hele keer naar toe ben geweest, maar ik herinner me er verder niets meer van en er werd verder niet meer op aangedrongen. Dat feest ging dus mooi niet door.

Visites van Wehrmachtofficieren en NSB-kopstukken
We kregen nogal wat Duitse soldaten 's avonds op bezoek. Allemaal ‘Onkels’. Soldaten die in het slachthuis gelegerd waren, en later ook veel Jagdflieger. Soms was er een N.S.B.-vergadering, en een keer was zelfs ‘Ome Anton’ Mus¬sert samen met ‘Ome Rost’ van Tonningen op bezoek, wat nogal wat deining veroorzaakte in de straat. Uiteraard was de buurt niet bovenmate gecharmeerd!
Vader hield wel van dit uiterlijke vertoon; het liet zien dat hij 'belangrijk' was. Vol trots liet hij Rost van Tonningen zijn handtekening zetten op een papiertje en ik moest die vergelijken met de handtekening op een gulden-biljet.

Privileges voor vader
Vader werkte als gewoon slachter op het slachthuis maar kreeg vanwege zijn lidmaatschap een 'hogere functie'. Er was zelfs sprake van dat we in het grote huis van de Directeur zouden gaan wonen, een kast van een huis, maar daar is het nooit van gekomen gelukkig. Dan hadden we helemaal bekend gestaan. Er zou ook een veel grotere NSB-vlag nodig zijn geweest voor zo'n kast van een huis, en ik vond de onze al meer dan groot genoeg!
Later werd hij hoofd van de gaarkeuken. Ik moest daar altijd in een emmer op een gammel wandelwagentje warm eten halen. Nooit hoefde ik in de rij te staan en kreeg altijd het beste uit de ketels, wat natuurlijk weer scheve gezichten en bedekte of heel openlijke opmerkingen gaf bij de andere mensen die netjes in de rij hun beurt moesten afwachten.
Ik zat tussen twee vuren: mijn moeder die me er heen stuurde om het eten te halen en de andere mensen die moeite moesten doen om wat op tafel te krijgen. Ik voelde me in een rot positie.

Vleesvoorziening
Mijn vader hield ook toezicht op het bereiden van het vlees voor de Wehr¬macht. Alleen het beste en geen vette randjes, pezen of zenen. Vader bracht dikwijls het 'afval' mee naar huis. Er waren veel vet en pezen, maar hij zal wel heel royaal gesneden hebben om zeker te zijn dat de Wehr¬macht alleen maar mooi en mager vlees kreeg, dus er zat behoorlijk wat goed vlees bij ook (zoiets als van een aardappel een kubus 'schillen': de schillen waren dan nog goed te gebruiken). De hele snij-afval werd in een krant gewikkeld, nog een metertje schapendarm er bij gejat en de hele handel op de bagagedrager onder de snelbinder. Er ging veel in stamppot en soep.
Dikwijls maakte hij er ook wel worst van, of wat daar voor door moest gaan. Ik moest dan die glibberige schapendarmen wijd open houden zodat mijn vader de vettige, blubberige smurrie er in kon proppen. Het eindproduct: was de beroemde huisworst vol met stukjes zeen, koeienuier en hersens, knoerzels en vetkwabben. Voor de variatie maakte hij van dezelfde ingrediënten (met een scheutje azijn erbij) hele puddingvormen vol met ‘zure zult’ waaraan ik me echter nooit een bult heb gegeten! Met alle goede wil vond ik deze producten van de keurslager niet om te vrrreten en vandaar mijn levenslange aversie voor vet vlees, zult, koeienhersens en -uiers, karbonaadjes of ander vlees waarbij 'gedemonteerd', 'gekloven’ of 'uitgebeend' moet worden!

Hulp aan de buren
Soms werd er in de gaarkeuken snert gemaakt. Dat werd in blokken ingevroren en dan kwam vader met een 'blok snert' in een jute zak achter op zijn fiets thuis. De buren zagen hem al aankomen, en hoorden door de tussenmuur het gehak van mijn vader op het aanrecht. Dan tikte mijn moeder op de muur of op de schutting en riep: “ Mevrouw P., komt u even met een pannetje?" Mevrouw Prins stond uiteraard in haar keuken al ongeduldig te trappelen met een flinke pan in haar hand en dan werden er wat blokken snert over de schutting aangereikt. Vergeleken met andere mensen, meende ik dat we vrij goed te eten hadden.

Vader naar het Ostfront - 1942
Ik vermoed dat het in 1942 was dat vader zich opgaf voor het Ost¬front. Vader, moeder en ik gingen naar Den Haag waar tijdens een grote manifestatie het ‘Freiwilligerskorps Niederlanden’ werd opgericht. H. was er niet voor te porren om ook mee te komen. Alle vrijwilligers kregen uit naam van de Führer het boek ‘Mijn Kamp’ wat met groot gejuich en dankbaar applaus in ontvangst werd genomen.

Geëvacueerd naar Boxtel
Zo veel was inmiddels wel duidelijk, de oorlog zou wel een stuk langer gaan duren. Vader wilde de familie naar een veiliger oord overbrengen. We gingen dus naar Boxtel, waar we onze intrek namen in drie grote kamers van Hotel Boxtel tegenover het station. Alles bij elkaar waren het vriendelijke mensen. L. en ik gingen daar ook naar school. Ik had een oude meester die zich koeltjes op de vlakte hield tegenover mij. Er was daar gelukkig (vond ik toen al) geen afdeling van de Deutsche Jugend en ik had mijn uniform angstvallig weggehouden. Ik gedroeg me als een gewone Hol¬landse jongen en dat lukte me ook vrij aardig en ik maakte zelfs een paar vriendjes op school en in de buurt.

Door mijn aangeleerde gewoonte om me gedeisd te houden, zorgde ik dat het onderwerp 'oorlog' niet ter sprake kwam en als ze het toch over moffen en NSB-ers hadden, hoorde ik zogenaamd niets of begon over wat anders.
Maar vader flaneerde met zijn uniform door Boxtel en er werden Duitse soldaten en NSB-ers bij ons gezien, dus het oude liedje van Haarlem begon weer van voor af aan. Ineens weer geen vriendjes.
We zijn er maar een paar maanden geweest, en gingen toen weer terug naar Haarlem. Erg veel kan ik me er niet meer van herinneren. Over het algemeen voelde ik me er wat minder bedreigd maar een thuisgevoel kreeg ik ook daar niet.

Elke keer als ik er nu nog met de trein langs kom, kijk ik even langs het station en zie dan het ‘Hotel Boxtel’ . Jaren geleden was dat gewoon een dwang en ik kreeg er de kriebels van; nu denk ik 'ja, het staat er nog.' Ik ben er nooit meer eens naar binnen gegaan voor een biertje of koffie.

Opnieuw geëvacueerd
Ook zijn we een paar weken geëvacueerd geweest naar een soort vakantiekolonie in de bossen tussen Boxtel en St.-Michielsgestel. Het waren allemaal NSB-families en zij sliepen in grote houten slaapzalen.
Onze familie zat er beter voor. Wij (en nog een andere 'voorname' NSB-familie) hadden een mooi houten bungalowtje voor ons zelf, lekker rustig veraf het bos in. Ik weet niet hoe de vork in de steel stak, maar het leek er op dat de rest als 'minderwaardig' werd beschouwd. Daarom mengden wij ons niet zo veel met hen, maar ik speelde toch wel af en toe met de kinderen daar. Wij aten apart (en beter.....) in onze eigen bungalow en niet in de eetzaal met de ‘gewone’ rest. Dat gaf blijkbaar scheve ogen en om ons een hak te zetten, werd ik beschuldigd van het stelen van een polshorloge. Iemand anders werd er echter op betrapt en gestraft, maar toch werd ik verder met de nek aangekeken - waarom snapte ik niet.

Parochies en Scholen
Terug in Haarlem deed ik de 3de klas over omdat ik met die escapades naar Boxtel veel Haarlemse lessen gemist had. De plagerijen op school gingen weer even hard
door. Niemand wilde naast me zitten in de klas. Dat werd me duidelijk gemaakt doordat mijn klasgenootjes demonstratief hun neus dichtknepen omdat ik ‘geweldig stonk’.
Spelen op de speelplaats was er bijna niet bij, maar de Broeders namen me wel in bescherming zodat het daar tenminste niet tot vechtpartijen kwam. Ondanks alle geplaag leerde ik toch goed op school en ging er graag naar toe.

Allen tegen één - In een hinderlaag getrapt. Op straat werd ik nog al eens door een hele groep jongens overvallen. Ze lagen in een ‘hinderlaag’ en als ik de straat in kwam, werd ik van alle kanten tegelijk aangevallen en gauw even afgerost. Altijd met z’n allen tegen één. Vlak bij ons huis lag een boerderij. Als er gehooid was kwamen de jongens uit de buurt om ‘te hooi trappen’, i.e. het hooi werd van een grote hooiwagen afgeladen en door een grote hoge deur naar de hooizolder gegooid. Daar mochten de buurjongens het hooi met veel man goed aantrappen. Ik had nog nooit mee gedaan maar ik had nu ook ongeveer de leeftijd van de hooitrappers bereikt en ze vroegen me om ook mee te komen. Ineens had ik veel ‘vriendjes’ en even later begreep ik waarom. Toen ik op een hoge berg hooi op de zolder stond, grepen ze me vast en met z’n allen bedolven ze me onder een grote berg hooi en begonnen boven op me te dansen. Het scheelde niet veel of ik was gestikt. Gelukkig had de boer het in de gaten en gaf een brul. Hij wilde geen dode onder zijn hooi. Dus werd ik er weer uitgegraven, naar de hooiwagen geschopt en van daar verdween ik onder hoongelach van mijn ‘vriendjes’ schielijk naar huis.

Bidden, bidden, bidden...
De kindermis in de St. Jan was om 7.30 en het kerkbezoek werd consciëntieus door de broeders aangemoedigd en aangetekend voor het rapport. Als je op tijd was, kreeg je een kaartje van de broeder. Omdat die eens in de week werden opgehaald, kon er wel eens mee 'gefraudeerd' worden. Als ik al eens 'spijbelde' (hoogst zelden), kon ik mijn moeder altijd nog wel een kaartje van de vorige dag (of week) laten zien. Later kregen we een knipkaart en de broeder die de kaarten achter in de kerk knipte, noemden we de 'conducteur'. 'Fraude' was hiermee wel wat moeilijker.
Maar als we te laat waren opgestaan, renden we wel eens naar de Spaarnekerk waar ze pas om 8.15 uur de kindermis hadden. Daarna moesten we dan hard rennen om op tijd op school te zijn. In de Spaarnekerk zaten we meestal in de achterste bank zodat het Hoofd van de Canisiusschool ons niet zag (dachten we), en na de Mis hadden we dan kans om hard weg te lopen voordat het laatste lied van hun kindermis uitgezongen was zodat we daar het gescheld of pesterijtjes konden ontlopen.

Eerst moesten we dan W. bij de kleuterschool afleveren in de Antoniestraat (achter de kerk). Om de Canisius-meute te ontwijken slipten we door een deurtje links vooraan de kerk uit zodat we in de tuin van de zusters belandden. Soms moesten we dan wachten tot de zusters het hek openden, en intussen waren we op ons qui vive voor eventuele jongens uit die buurt die mogelijk wat 'aardigheden' voor ons in petto zouden kunnen hebben. Zo gauw hij was afgeleverd renden we zo hard we konden naar onze school.
Onderweg aten we al rennend onze boterhammen op en als de mis een vluggertje was, wipten we onderweg (vooral in de winter) even binnen bij 'Tante Mies', een vriendin van moeder, om daar ons brood op te eten,... en even op te warmen.
Later op de dag werden er zeer vele rozenhoedjes en novenes gebeden zodat er nooit veel tijd was om buiten te spelen, en als je buiten kwam was er bijna nooit iemand om mee te spelen. Na school rende ik rechtstreeks naar huis. Van op straat spelen kwam nooit veel. Moeder had genoeg intenties om ons aan het bidden te houden. Rozenhoedje, litanieën, verschillende novenes.
Ik herinner me vooral de novene van H. Clemens Maria Hofbauer: 6 kantjes van een kapotgebeden foldertje. Als de novene (9 dagen) was afgelopen, had moeder al weer een nieuwe intentie voor de H. Clemens in petto. Als moeder nog niet klaar was met eten koken, konden we nog een paar tientjes bidden. Dit alles met de blote knieën op de kokosmat.

(Nederlandse) Kerk versus Moeder
Moeder - met haar Pools-Duitse afkomst - was zeer devoot, en ging trouw iedere dag naar de kerk, soms naar de Spaarnekerk maar ook veel naar de St. Jan. Ze wou niet bij de NSB, omdat de bisschoppen het verboden hadden. Ik geloof niet dat ze erg politiek was ingesteld of veel van de NSB-doelstellingen afwist. Maar op zekere dag vond vader dat moeder toch wèl bij de NSB moest en hoewel hij al jaren niet meer naar de kerk ging, wist hij hierbij de regels van de kerk goed te hanteren: "Man en vrouw zijn één" en daar kon moeder dus niets tegen inbrengen! Het zou meer gewicht aan zijn status toevoegen als hij zijn vrouw als ‘Kameraadske’ Hannie kon voorstellen aan bezoekende NSB-ers. Dus moeder zwichtte en liep op een gegeven dag ook met het driehoekspeldje op.

Op een dag toen moeder in de St. Jan in de mis was en te communie wilde gaan, werd ze door kapelaan Oudshoorn overgeslagen. Ik was al te communie geweest en zat braaf met mijn handen voor mijn ogen. Ik hoorde wel wat commotie vóór in de kerk, maar wist toen niet dat het om mijn moeder ging. Pas vele jaren later hoorde ik wat er echt gebeurd was. Moeder bleef aan de communiebank knielen maar de kapelaan passeerde haar elke keer. Het was al moedig van de kapelaan om zo openlijk de opdracht van de bisschoppen uit te voeren. Maar mijn moeder moet toch ook heel wat lef gehad hebben om zó maar tegen de grootmacht van de Kerk op te staan. Ze trok het speldje van haar jas, gooide het naar het altaar en zei tegen de kapelaan: "God gaat voor alles!"..... waarop ze alsnog de communie kreeg, en ook daarna. Ik kan me niet herinneren of ze daarna het NSB-speldje nog ooit gedragen heeft of dat ze het nog ooit teruggekregen heeft.

Maar dit had natuurlijk consequenties thuis. Ik weet niet meer of dit gebeurde vóór of ná het 'insigne-incident' in de kerk. Ik zie in ieder geval wel een verband. Waarschijnlijk heeft iemand het daarna aan mijn vader verteld.
Ik kan me niet herinneren dat mijn vader ooit echt ruzie met mijn moeder maakte. Hij kon wel eens uitvallen en behoorlijk foeteren, maar daar bleef het dan wel bij. Maar dit was een blamage voor zijn politieke carrière en nu hoorde ik hem voor het eerst schreeuwen tegen mijn moeder. Hij sloeg haar zelfs, wat hij helemaal nog nooit gedaan had. Het is wel bij deze ene keer gebleven en hij moet er veel spijt van hebben gehad.

Ik was toen zo bang voor mijn vader dat ik in Sperrzeit de deur ben uitgerend en als er Duitse soldaten liepen ging ik in de voortuintjes van de huizen onder de struiken liggen. Ik weet niet meer hoe ik thuis ben gekomen en wat er verder gebeurde. Ik moet er lange tijd goed van in de war van zijn geweest. Ik herinner me vaag dat ik 'n lange tijd mijn vader opzettelijk ontweek en niet met hem praatte. Niet uit kwaadheid, maar ik wist niet wat ik met hem aan moest.

 
Tijdlijn
  • 1938
  • 1939
  • 1940
  • 1941
  • 1942
  • 1920 - 1929
  • 1930 - 1939
  • 1940 - 1949
  • 1950 - 1959
  • 1960 - 1969