Ga Het Na Ga Het Na

gahetNA.nl

Kinderen over 'foute' ouders

Lettergrootte:    
‘Ik was eigenlijk een beetje het taboe’ - Het verhaal van een dochter van een Duitse militair
1944, Amsterdam / Limburg
Monika Benndorf werd in 1944 in de Amsterdamse Boerhaavekliniek geboren uit een relatie tussen een Nederlands meisje en een Duitse militair. Ze groeide op in het ouderlijk gezin van haar moeder waar ze te horen kreeg dat haar vader was overleden.

Een interview door Ceciel Huitema

Ondanks het feit dat Monika altijd bewust was van het feit dat sommige mensen moeite met haar hadden – gewoon omdat ze er was – besefte ze pas in de eerste klas van de middelbare school dat haar vader een Duitser moest zijn. Omdat haar moeder niet over haar grote liefde en de gevolgen daarvan wilde praten, kwam Monika haar vader pas in 1975 op het spoor. Te laat om kennis met hem te maken want zijn vrouw vertelde haar dat hij inmiddels was overleden, maar altijd gewacht had op bericht van Monika aus Holland.

Monika’s moeder raakte volledig in paniek toen ze merkte dat ze zwanger was. Niet alleen zij, maar het hele gezin – ze woonde nog bij haar ouders – werd aangekeken op het feit dat ze verkering had met een Duitse soldaat en bovendien een kind van hem verwachte. Door Monika’s komst werd het een getekende familie. Een oudere zus van haar moeder, die al getrouwd en de deur uit was, kwam niet meer thuis omdat dat de reputatie van de onderneming van haar man zou schaden. En dat terwijl een van haar zusjes ongeneselijk ziek was en later zou overlijden.

Na de bevrijding – toen de familie vanwege de evacuatie (Tiel was eind 1944 frontstand geworden) onderdak had gevonden in Leeuwarden – werkte een zus van Monika’s moeder voor de Engelsen. Zij deed een goed woordje voor haar zus waardoor Monika’s moeder niet van huis werd gehaald en kaalgeschoren, maar ‘slechts’ huisarrest kreeg. Dat werd bij terugkomst in Tiel verlengd. Doordat de bevolking daar Monika’s opa als een vooraanstaande en ‘goede’ man kende – hij was als typograaf lid van de landelijke grafische bond en betrokken bij de oprichting van de plaatselijke katholieke coöperatie die voedsel en brandstof inkocht voor de minder draagkrachtigen – werd hij gewaarschuwd zijn dochter en kleinkind ook daadwerkelijk binnen te houden, die zodoende werden behoed voor wraakacties.

Monika heeft het gevoel dat haar geboorte het leven van haar moeder verwoest heeft. Ze voelde dat zij moeite met haar had. ‘Ze was zó beschadigd, ze was zo ontzettend beschadigd omdat iedereen zich tegen haar keerde. Ze voelde zich schuldig en dat werd haar ook erg aangepraat. Want het gaat niet alleen om die Duitser, het gaat ook om het ongetrouwd zwanger zijn in die tijd. Een ramp, vooral in een katholiek gezin.’

Meer mensen bleken moeite met haar te hebben. Monika weet zich te herinneren dat ze als kind – als liefhebber van muziek – vol enthousiasme achter de plaatselijke fanfare aan liep, maar plotseling vol woede werd weggejaagd door omstanders. Het bleek 5 mei te zijn. Een ander voorval dat Monika zich nog herinnert en waardoor ze heel goed wist dat ze min of meer gedoogd werd was toen een nieuwe kerk in haar woonplaats ingewijd werd. Hiervoor werd een schoolkind gezocht dat mooi kon voorzingen. Uiteindelijk bleek Monika dat als beste te kunnen. ‘Toen hebben ze me achter een pilaar gezet. Dus ik moest in de zijkapel achter een pilaar zingen. Ik was me sterk bewust van het feit dat ik niet gezien mocht worden.’ Ze weet ook nog die keer dat een marktkoopman, die asbakken verkocht, haar aansprak met de opmerking dat haar vader zeker ook wel graag een sigaretje rookte. Toen ze hem vertelde dat haar vader dood was, werd uit het publiek iets geroepen – wat verstond ze niet – waardoor de man haar raar aankeek en haar op de grond kwakte. Een zus van haar oma die in het publiek stond waarschuwde haar oma, zodat Monika thuis te horen kreeg dat ze nooit meer mocht zeggen dat haar vader dood was.

Ze begreep al snel dat het verhaal van een overleden vader niet klopte. Monika’s eerste informatie over haar vader kreeg ze toevallig toen ze van haar moeder een formulier voor school meekreeg waarop de naam van haar vader was ingevuld: Paul Benndorf. ‘Dat was voor mij een bevestiging – gek genoeg – dat hij leefde, dat hij bestond.’ Maar ze mocht geen vragen stellen. ‘Ik was echt bang voor die sfeer die dan ontstond. Waarvan ik wist dat ik ‘m als het ware teweeg bracht. Ik was eigenlijk een beetje het taboe’.

Toch is haar jeugd geen aaneenschakeling van nare ervaringen geweest. Ze voelde zich door haar grootouders geaccepteerd. ‘Mijn grootmoeder had een enorm hart. Ik heb heel snel onderscheid gevoeld tussen mensen die moeite met mij hadden, gewoon omdat ik er was, en met mensen die dat niet hadden.’ Monika bewaart goede herinneringen aan het zwemmen in de Waal, rolschaatsen en spelen in de buurt, de ballet- en pianolessen (die een buurman voor haar betaalde) en in de zomer buiten brood met basterdsuiker mogen eten.

In het eerste jaar dat Monika op kostschool in Limburg zat, begreep ze plotseling dat ze een Duitse vader moest hebben. ‘Ik lag op mijn chambrette en ik begreep ineens dat je helemaal niet getrouwd hoefde te zijn om kinderen te kunnen krijgen. Toen begreep ik ineens al die dingen die al tegen mij gezegd waren. Ik was uitgescholden voor bastaard, ik was uitgescholden voor moffenkind, ik was van alles nageroepen en ineens klopte dat. Al die vraagtekens werden ineens uitroeptekens. Ik had nu Duits op school en ik herkende de naam Paul Benndorf ineens als een Duitse naam, met die dubbele n. Ik wist het ineens.’

Toen ze begreep dat haar vader een Duitse militair was, hoefde ze geen bevestiging van haar moeder. ‘Ik wist het zeker, ik wist het zó zeker. Misschien is het een zegen geweest dat ik niet thuis was toen ik het ontdekte en dat ik nog vier jaar lang op die kostschool zat. Dat ik die confrontatie niet had, niet met Tiel, want ineens wist ik dat heel Tiel het misschien wel wist, ik schaamde me een ongeluk. Ik durfde nauwelijks meer naar huis. Het kan best goed zijn geweest dat ik het daar in mijn eentje moest verwerken.’ Pas twee jaar later, tijdens een vakantie, sprak Monika haar moeder aan. ‘Ik herinner me dat ik aan tafel durfde te zeggen: “Ik weet het van mijn vader”. Mijn moeder en oma keken elkaar aan en gingen toen naar buiten zitten kijken en dat betekende: geen gesprek.’

Op kostschool besprak ze haar ontdekking soms met een klasgenootje wier oudere zus ongetrouwd een kindje had gekregen en waarvan haar familie nu de schande ondervond. Met een ander meisje, afkomstig uit Limburg, dat ook een Duitse militair als vader had, had Monika veel minder gemeen. Zij was nooit met een geheim opgegroeid en wist van jongs af aan dat haar ‘oudere zus’ eigenlijk haar moeder was. ‘Er was geen aura van fout en zonde om haar heen.’
Omdat haar eigen afkomst nog steeds in een angstvallig stilzwijgen werd gehuld, dacht Monika er het ergste van. ‘Ik wist niet hoe het gegaan was, dus ik moest invullen waarover zij zwegen en waarom sommige mensen in Tiel zo vijandig waren geweest. Dat deed ik door er echt iets heel verschrikkelijks van te maken: natuurlijk was mijn moeder een moffenhoer, natuurlijk was ze kaalgeschoren! Ik pakte gelijk de ergste versie die er bekend was van het verhaal. Want voor een liefdevolle verkering hoefde ze zich toch niet te schamen?’

‘Ik was net zo met moffenhaat opgevoed als ieder Nederlands kind van toen.’ Daardoor haatte ze zichzelf toen ze ontdekte dat ze deels Duitse was. ‘Die handen waren Duits, man, man, wat een ontdekking! Tegelijkertijd voelde zich sterk verbonden met Duitsland en de Duitse taal. ‘De Nederlandse taal was voor mij een angstige taal, daarin ben ik uitgescholden. Het Duits was de taal van de acceptatie en de liefde van mijn vader. Ik heb altijd een heel sterke nabijheid gevoeld.’ Monika kan zich herinneren dat ze op 17-jarige leeftijd op bezoek ging bij een Duitse penvriendin in Keulen. ‘Ik stond daar op het station en keek langs de rails van de trein en ik wist: als ik ga lopen dan kom ik een keer bij mijn vader uit. Toen wist ik nog helemaal niet waar hij vandaan kwam, maar er was wel een diep besef van dit zijn de rails die naar mijn vader gaan. Dat moment kan ik zo terughalen omdat het gekoppeld was aan hoop en heimwee. Er is altijd een weten in mij geweest van een vader en dié was er de eerste vijf maanden ook. Dat zat in mij opgeslagen. Want hij kwam iedere dag en haalde me dan uit de wieg en ging lekker met mij Schubert zitten zingen.’
‘Ik heb achteraf gehoord dat iedereen in Tiel wist dat ik mijn vader een Duitse militair was. Er is een beeldende anekdote die een vriendin mij pas veel later vertelde. “O”, zei ze, “wist je dat dan niet? Want toen we op de lagere school zaten en we al spelende te laat waren gekomen waardoor de poort al dicht was, toen zijn we schooltje voor de poort gaan spelen. Ik weet nog dat ik tegen jou zei: zeg je naam maar, hoe heet jij? En toen zei jij: ik heet Monika Peterse. En toen zei ik: Nee, dat kan niet, jouw moeder heet Peterse. Jij hebt een andere naam, want je moet naar je vader heten. En toen dacht je even na en zei je: ik heet Monika Stoeprand.” Ze zei: “Ik vond dat zo creatief!” Zij wist het, zij wist niet wat het moest zijn, maar zij wist wel dat die vader er natuurlijk wel geweest was.’ Iedereen wist het, maar niemand sprak erover. ‘Dat kwam ook omdat de buurt ons niet kwaadgezind was. De buren hebben ook de uitzet bij elkaar gebracht. Want waar haalde je in 1944 een uitzet vandaan?’

Meer informatie over haar vader kreeg ze pas in 1975. Privé-problemen – haar huwelijk stond op springen – hebben haar er uiteindelijk toe gebracht om haar moeder vragen te stellen. ‘Ik heb toen tegen mijn moeder gezegd: ik wil nu van jou de geboortedatum van mijn vader, ik wil de plaats waar hij woonde en waar hij geboren is. Dat gaf ze me, ze wist alles. Toen ben ik gaan bellen – in 1975 werd de privacy nog helemaal niet zo beschermd als nu – met als gevolg dat ik binnen anderhalf uur alles wist.’ Ze belde naar de burgerlijke stand in Bremen, die haar vertelde dat haar vader al in 1966 was overleden, dat hij getrouwd was met een oorlogsweduwe die een kindje had maar dat hij zelf geen kinderen meer had gekregen. Monika kreeg het telefoonnummer en adres van zijn vrouw.

‘Toen heb ik gebeld en zei ik: “Hier ist die Monika aus Holland”. En haar reactie was: “Ach ja natürlich. Er ist leider tot”. Dat was haar zin. Toen dacht ik: die heeft hier jaren op zitten wachten, die wist gewoon, ooit zal ze bellen.’ Paul Benndorf had zijn vrouw verteld dat hij een dochter in Nederland had. ‘Ze zei: “Had maar eerder gebeld, hij heeft zijn hele leven op je gewacht.” En ik sprak de beruchte woorden: “Dass habe ich ja nicht gewusst.”

Ze hoorde ook dat haar vader na zijn vertrek nog drie keer terug was gegaan naar Tiel om Monika te zien. ‘En ik heb hem gezien. Toen ik drie jaar was. Ik kwam thuis en daar stond een meneer naast mijn oma en mijn oma was woest.’ Toen snapte Monika ook waarom haar oma liever niet had gehad dat ze naar kostschool ging. Ze was bang dat Paul Benndorf zijn dochter daar zou komen ophalen en mee zou nemen naar Duitsland. ‘De familie vond dat die angst van mijn oma nergens op sloeg, maar mijn oma had nooit verteld dat ze mijn vader thuis had aangetroffen.’

In 1993 kwam Monika er per toeval achter dat haar vader haar had erkend bij de burgerlijke stand in Amsterdam. ‘Ik had een uittreksel nodig van mijn geboorteregister. Gek genoeg is het beleid in Nederland zo dat kinderen van Duitse militairen nooit hun officiële geboortebewijs – opgeslagen in een speciale kast – kunnen inzien. Het geluk was dat ik een allochtoon trof die op dat vlak niet was voorgelicht en ook geen last van de oorlog had, dus hij kwam spontaan naar mij toe en vroeg: “Mevrouw, waarom hebt u niet de naam van uw vader in uw paspoort?” Verbijsterd moet ik hem hebben aangekeken en ik zei: “Ja maar mijn ouders waren niet getrouwd.” “Ja” zei hij “maar als ik Duits kan lezen heeft hij u wel erkend”. Hij beende terug en kwam vervolgens met het originele boek uit de oorlog naar mij toe en wees: “Ik denk dat dit erkend betekent” zei hij. “Ja dat is ook zo” zei ik. “Dan snap ik dus niet waarom u die naam niet hebt.” Toen ging hij naar collega’s om dat te vragen. Waarop de hoofden van die collega’s meteen mijn richting in gingen. Dat kende ik. Toen kwam hij terug met plaatsvervangende schaamte. “Mevrouw, uw vader kan u wel erkend hebben, maar de Nederlandse Staat erkent die erkenning niet. Maar dat moet u niet accepteren”.’

Het feit dat haar vader haar had erkend had, stemde haar in eerste instantie vooral verdrietig. Als ze dat eerder had geweten was zij hem al veel eerder gaan opzoeken. ‘Want je weet dat je gewenst bent en dat iemand blij met je is.’ Haar vader dacht door die erkenning ook wel dat zijn dochter hem zou opzoeken. Als eerbetoon aan haar vader draagt Monika sinds 2000 zijn familienaam.

De combinatie tussen het feit dat haar vader een Duitse militair was geweest die tijdens de Tweede Wereldoorlog in Nederland diende, de anti-Duitse gevoelens waarmee ze was opgegroeid en het verbeten zwijgen zorgde voor een moeizame relatie tussen Monika en haar moeder. ‘In het verwerkingsproces van de afgelopen jaren is ook de vergeving en het begrip voor haar gegroeid en heb ik haar dichterbij laten komen. Maar het lijkt wel alsof ze daarvoor eerst moest overlijden, zodat er ruimte kwam – omdat ze zelf zo’n muur om zich had gebouwd waar ik nooit doorheen kwam.’ Haar moeder kon nooit naar haarzelf kijken zoals Monika naar haar had willen kijken. ‘Mijn moeder heeft zich helaas nooit kunnen bevrijden van de gebeurtenissen uit die tijd.’

Monika’s vader had graag met haar moeder willen trouwen en een gezin met haar willen stichten. Tijdens de bezetting vroeg hij aan zijn meerderen toestemming om te trouwen. Dat werd niet ingewilligd. Op een papier stonden de woorden nicht gestattet vergezeld met een grote adelaarsstempel. Na het einde van bezetting kon Paul Benndorf niet in Nederland blijven en vroeg zijn vriendin naar Duitsland te komen. Dat durfde ze niet, wat moest ze in een onbekend land dat volledig in puin lag? Ze had niet de kracht om vervolgens een nieuw leven op te bouwen. Ze ging geen andere relatie meer aan en bleef in haar ouderlijk huis wonen.

‘Mijn moeder heeft later toen ik volwassen was twee verhalen verteld. Mij heeft ze een heel ander verhaal verteld dan mijn kinderen. En dat was niet fijn toen we dat ontdekten. Het verhaal dat ze mijn kinderen verteld heeft is niet zo positief als dat verhaal dat ze mij vertelde. Tegen mij zei ze dat haar zwangerschap de bedoeling was geweest en tegen mijn kinderen had ze gezegd dat het absoluut nooit de bedoeling was geweest en dat ze condooms gebruikten.’ Monika laat de waarheid in het midden en hoopt op een combinatie van beide.

Toen haar moeder op haar sterfbed lag zei Monika tegen haar: Als je mijn vader ziet, omhels hem. ‘Dat was al zó beladen om te zeggen, dat was al zó vreselijk moeilijk. Maar dat moest, ik moest dat zeggen. Daarmee is voor mij toen al de opening mogelijk geworden.’ Tot aan de dood van haar moeder in 1997 liet Monika het verhaal van de grote geschiedenis – Nederlandse vrouwen die een kind kregen van een Duitse militair waren ‘fout’ – de boventoon voeren. Pas na haar dood kwam ruimte voor het gezichtspunt van de individuele geschiedenis, de liefde voor een man die toevallig een Duitser was.

 
Tijdlijn
  • 1942
  • 1943
  • 1944
  • 1945
  • 1946
  • 1920 - 1929
  • 1930 - 1939
  • 1940 - 1949
  • 1950 - 1959
  • 1960 - 1969