Zo begint het krantenartikel in Het Vrije Volk dat op 25 september 1956 verschijnt. Het gaat over de Italiaanse arbeider Antonio Drago. In Nederland heeft hij de baan gevonden die hij in Italië niet kreeg: hij is aftekenaar bij de Nederlandse Dok- en Scheepsbouw Maatschappij (NDSM). Zijn bazen zijn tevreden. De reden van dit interview heeft te maken met zijn privé situatie.
De taal is voor Antonio geen belemmering meer. Bovendien is hij inmiddels aardig aangepast aan de Nederlandse gewoonten. Heimwee heeft hij niet. Het leven zou wel veel aangenamer zijn wanneer zijn vrouw Giulia bij hem mocht wonen.
In juni 1956 zijn zij in Palermo getrouwd. Over de vraag of zij met Antonio mee gaat naar Amsterdam, twijfelt ze geen moment. Antonio ook niet: ‘Ik heb werk in Nederland. Ik heb er een kamer en een keuken. Waar plaats is voor één, kunnen er ook twee wonen’.
Gezien het woningtekort in de jaren vijftig, wordt zo veel mogelijk gestuurd op het aannemen van ongehuwde arbeiders. Zo hoeven alleen de werknemers zelf te worden gehuisvest en niet hun gezinnen – voor hen is het niet mogelijk een verblijfsvergunning te krijgen. Of dat vantevoren als zodanig tegen de arbeiders is verteld, is niet altijd even duidelijk.
Antonio:’Toen ik dertien maanden geleden in Napels het contract kon tekenen heb ik uitdrukkelijk aan de leden van het Nederlandse wervingscomité gevraagd of ik mijn vrouw naar Nederland mocht laten overkomen als ik eenmaal getrouwd was. Men heeft mij toen gezegd, dat dat wel in orde zou komen. Op grond van die toezegging heb k het contract getekend’.
Nu blijkt dat Giulia niet langer dan een maand in Nederland mag blijven. Haar tijdelijke vergunning is dan wel tweemaal met een maand verlengd, maar alsnog moet zij het land verlaten. Antonio heeft brieven geschreven aan de betrokken instanties: het ministerie van Justitie, de Vreemdelingendienst en de Italiaanse ambassade. Allemaal zeggen ze hetzelfde: ze mogen geen uitzondering maken.
Zelf zegt Antonio dat ook in de ambtelijke kringen de voorwaarden ‘onzedelijk’ worden genoemd en dat zelfs iemand van het ministerie spreekt over ‘mensenhandel’.
Antonio is verontwaardigd over wat hem in Italië vals is voorgespiegeld. Hij zal zijn vrouw spoedig volgen naar Palermo. ‘Het is jammer. Ik heb hier werk naar mijn zin en de mensen zijn erg hartelijk voor me’.
Naar aanleiding van dit artikel doet de minister van Justitie navraag bij de directeur-generaal voor de Arbeidsvoorziening. Hij schrijft dat ‘het artikel in het Vrije Volk in zijn algemeenheid juist is, doch dat noch van de zijde van het Nederlandse bedrijfsleven, noch door de bij de selectie aanwezige ambtenaar van mijn Dienst m.b.t. de toelating van mevrouw Drago in Nederland toezeggingen zijn gedaan’.
Ook schrijft deze ambtenaar een brief naar Het Vrije Volk: ‘De bewering van (…) A. Drago, als zou hij tijdens de selectie van Nederlandse zijde de toezegging hebben ontvangen dat de overkomst van zijn echtgenote naar Nederland alsmede haar permanent verblijf hier te lande zou worden geregeld, is derhalve geheel ongegrond’.





















