In eerste instantie gaat het om ongehuwde mannen met een arbeidscontract van maximaal twee jaar die in pensions verblijven. Maar ook zijn er getrouwde mannen die voor de periode van een paar jaar hun vrouw en kinderen in Italië achterlaten.
Bij sommigen komen de gezinnen van de arbeiders ook over naar Nederland, zij het tijdelijk. Zij krijgen een verblijfsvergunning voor de periode van het arbeidscontract van hun echtgenoot. Als blijkt dat er arbeiders zijn die in aanmerking komen voor contractverlenging, neemt de behoefte aan het verlengen van deze verblijfsvergunningen ook toe.
Op 11 oktober 1962 ontvangt het ministerie van Buitenlandse Zaken een brief van de Italiaanse ambassade in Nederland. Het contract van de Italiaanse arbeider Romolo, werkzaam bij de Rotterdamse Electrische Tramweg Maatschappij, is door deze werkgever voor het gehele jaar 1963 verlengd. Maar de verblijfsvergunning voor zijn gezin is niet geregeld.
De ambassade bemiddelt met deze brief in de verlenging van de verblijfsvergunning van Romolo’s gezin. Zijn echtgenote en hun twee kinderen van 7 en 5 jaar wonen thans in Nederland, maar op basis van de oude vergunning zouden zij het land op 15 oktober (dus slechts 4 dagen na binnenkomst van deze brief!) moeten verlaten.
Volgens deze brief heeft het gezin inmiddels woonruimte gevonden in Rotterdam. Dat zou betekenen dat het ministerie daar in ieder geval geen omkijken naar heeft. ‘(…) de Italiaanse ambassade [zou] het Ministerie van Buitenlandse Zaken erkentelijk zijn indien het zijn medewerking in onderhavige aangelegenheid zou willen verlenen’.
Een officiële reactie op deze brief is in het archief niet terug te vinden. Of het gezin Mestici in Nederland kon blijven, is niet bekend. Een aanknopingspunt vinden we echter wel op de achterzijde van de brief in de vorm van (moeilijk leesbare) aantekeningen van een ambtenaar van het ministerie.
Volgens de krabbels heeft deze ambtenaar op 12 oktober twee gesprekken met mr. Fraay van het ministerie van Justitie gevoerd. Volgens hem is een woonvergunning als zodanig geen grond voor een vestigingsvergunning, en mag volgens het arbeidscontract een gezin niet na een jaar worden toegelaten. Het ziet er op dit moment voor het gezin van Romolo dus niet best uit.
Het tweede gesprek, later diezelfde middag met mr. Fraay, wijst uit dat men inmiddels akkoord gaat met het verblijf van het gezin. Althans, zolang de ministerraad geen beslissing heeft genomen over het verblijf van Spaanse en Italiaanse vrouwen.
Aan de ambtenaar wordt een schriftelijke toezegging gedaan van dit alles. Het ziet er naar uit dat het gezin toch kan blijven. In ieder geval voor een jaar.



















