50 jaar Italiaanse gastarbeiders

Lettergrootte:    
Eens een Italiaan, altijd een Italiaan
1961, Amsterdam, Den Haag
De werkzoekende Giuseppe (geboren in 1938 te Enna, Sicilië) meldt zich in 1961 bij het Arbeidsbureau in Milaan. Met de trein gaat hij via Milaan en Utrecht naar Amsterdam. Hij gaat bij de Kabelfabriek in Amsterdam-Noord werken.

Twee jaar werkt Giuseppe bij de Kabelfabriek. Daarna gaat hij nog een jaar aan de slag bij de Chocoladefabriek Droste. Dan is zijn arbeidsperiode in Nederland afgelopen en keert hij terug naar Italië. Maar Nederland blijft trekken. Drie jaar later gaat hij toch weer naar Nederland, dit keer met de auto en met vrienden. Hij gaat naar Den Haag, op zoek naar werk. Hij komt terecht bij een cafetaria in Spoorwijk en hij drinkt daar iets. Daar zit een vrouw – later zijn echtgenote – tegen wie hij zegt dat hij werk zoekt. Zij kent wel iemand. Drie weken later kan hij bij de PTT aan de slag. Uiteindelijk werkt hij daar 29 jaar.

 

‘Ik ben in Nederland heel goed opgevangen. Toen ik net aankwam, was daar mevrouw de Groot van het consulaat, die ervoor zorgde dat de Italiaanse werknemers zich op hun gemak voelden. Ik vond het in die tijd gezelliger dan nu. Er was minder ruzie, altijd tijd voor een bakje koffie. En de flessen melk op de stoep en het geld voor de melkboer werd niet gestolen’.

 

Giuseppe komt in die tijd regelmatig in Café Milano in de Leidsestraat te Amsterdam. Iedere avond kun je erheen. In de Leidsestraat zit ook Bar Roma, een heel goede bar volgens Giuseppe. De eigenaar van Bar Milano heeft dankzij al die Italianen in Amsterdam goede zaken kunnen doen; hij heeft een hotel in Zandvoort geopend. Maar Giuseppe heeft ook wel goede zaken bij Milano kunnen doen. Iedere week krijgen de medewerkers van de Drostefabriek chocola mee naar huis. Dat verkoopt hij in de bar.

 

‘Vroeger waren Nederlandse vrouwen dol op buitenlandse jongens’. Soms gaat Giuseppe naar de Italiaanse ‘casa’. Dan kan hij met andere Italianen in het Italiaans kletsen en Italiaans eten. Nog altijd komen daar Italianen op af, hoewel het wel steeds minder wordt. Vroeger ging hij er vaker heen dan tegenwoordig. Zijn vrouw en dochter gingen dan mee. Zijn dochter Concetta heeft nog op het Italiaanse koor (Dolce Melodia) gezeten.

 

Giuseppe ging vroeger ook naar Hotel de Port op de Brouwersgracht, een soort opvangcentrum. Daar mocht je paar nachten blijven of eventjes en daarna moest je weg. Daar staat nu een school voor integratie. Ook daar kon je Italiaans eten en andere Italianen ontmoeten.

 

Graag zou Giuseppe terug willen naar Italië, maar omdat zijn dochter en kleinkind hier wonen, is dat geen logische stap. Hij heeft er nog twee zussen wonen. ‘Ik heb geen vrienden meer daar, ik ben daar alleen als ik erheen ga.’ Hij wil wel terug, maar dan is hij eigenlijk weer een buitenstaander. ‘Op vakantie ga ik altijd naar mijn zussen, maar als ik alleen op straat loop, zie ik zelden iemand. Ik vind het er niet meer leuk. Ik droom ’s nachts over vroeger, over vrienden en school.’

 

Het liefst zou Giuseppe in Italië worden begraven. De kerkhoven zijn hier volgens hem maar wat armoedig. In Italië zijn de begraafplaatsen veel mooier, worden ze beter verzorgd door de familieleden. Nog altijd gaat Giueseppe, als hij in Italië is naar het graf van zijn moeder. Maar het is zijn dochter en haar gezin die hem uiteindelijk toch hier in Nederland houden.

 

 

 
Tijdlijn
  • 1910 - 1919
  • 1950 - 1959
  • 1960 - 1969
  • 2000 - 2009
  • Jaa0 - Jaa9