Daar stonden drie leden van ons Nederlandse kampbestuur. Een met een oranje sjerp, een met een grote, dampende sigaar en een met een toeter. De oorlog is voorbij, de oorlog is voorbij. Al dagenlang geruchten, twijfels, maar nu: oranje, sigaar, toeter. De oorlog is voorbij: echt.
De volgende dag, stom toeval, was ik op het plein bij de poort. Een grote kring mensen om de vlaggenmust. Geen Japanse vlag. Bij de mast de Nederlandse kampleiding en nog wat andere prominenten, ook mgr. Goemans, apostolisch vicaris van Bandung in glanzend wind habijt met een brede paarse band om het middel. Zij stonden naast de vlaggenmast; de kring rond stond tegenover hen een groepje Japanse officieren, in ‘ pakejan deftig’ met samoerai.
Iemand had gesproken, ik had dat gemist. Er trad een Japanse officier uit uit de groep, hij liep recht op mgr. Goemans toe, knielde en kuste de bisschopsring. Mgr Goemans hielp hem overeind; zij bogen voor elkaar: vrede.
De officier trad terug. En toen verscheen de vlag. Groot. Nieuw. Wie niet huilde, zong het Wilhelmus. Steeds vaker zie ik die beelden. Is het zo gegaan? Is het waar? De poort staat open. De Japanse schildwacht staat er lusteloos bij; wij buigen niet, hij eist het niet.
Enkele dagen later hangt onze blijde vlag halfstok. Een kampgenoot zijn twee dochters vermoord op de pasar van Tjimahi. Een nieuwe oorlog begint.























































































