We stonden in een scherpe bocht van de weg, waar de eerste begeleidende motorfietsen al begonnen af te remmen; de grote tanks, vrachtwagens en jeeps reden heel langzaam. In een impuls renden we naar de wagens, klommen er tegen op, werden er ingetrokken en toen begon voor ons het feest dat we 'bevrijding' noemen. Een onvoorstelbaar feest voor ons, die maandenlang binnen hadden gezeten, ondergedoken waren of op gammele fietsen in de kou op voedsel uitgingen. Jarenlang moesten we om acht uur ’s avonds in huis zijn.
Daar reden we onze stad in, samen met de Canadese boys in een uitgelaten stemming; een triomftocht langs enthousiaste mensenmassa’s. Dat de colonne werd ondergebracht in een schoolgebouw, niet te ver van ons huis, was puur toeval.
Niemand had zich afgevraagd waar het eindpunt zou zijn.
Die avond, toen overal in de tuinen de Canadezen als gasten werden binnengehaald, waren we niet thuis te houden. Met een stel vrienden en vriendinnen kwamen we terecht in een chique villa, door een Canadees legeronderdeel bezet.
De verbroedering was druk aan de gang. Overal stonden Hollanders met militairen te praten. Wij vonden 'onze' Canadezen in een garage achter het huis, een apart groepje dat bij de verbindingsdienst hoorde. Van die groep werden Andy en Allan onze echte vrienden.
We dronken die avond thee bij ze; het theewater werd verwarmd door een soort vlammenwerper. Dat theedrinken hadden ze de hele veldtocht gedaan – ook in Italië, waar hun onderdeel hard had gevochten. Daar werd verder niet over gepraat. Wel zorgden ze er vaderlijk voor dat we geen last kregen van George, die ineens dronken de garage binnenliep. Ze waren en bleven hoffelijk en aardig. We raakten niet uitgepraat met ze. Alleen tijdens de toespraak van de Engelse koning, waarin de vrede officieel werd aangekondigd, zaten we stil op hun veldbedden te luisteren. Daarna dronken we met z’n allen één fles wijn op en liepen wij in de nacht terug.
Voor de bezorgde ouders hadden we het ontbijt meegenomen, wit brood met boter uit de kantine. Een traktatie! Zelf leefden we in die eerste weken na de Hongerwinter van grote droge biscuits, die met de voedseldroppings uit de lucht waren gevallen.
Als ze vrij hadden, kwamen Allan en Andy nu ook bij ons thuis eten, hun geweren stonden in een hoek van de kamer. Of we gingen dansen op een van de vele feestjes die overal op straat ontstonden. We zeilden met ze in een oude boot, die ook de oorlog had overleefd, en legden dan serieus uit hoe het zat met de polders, de ringvaart en de molens.
We liepen op een vanzelfsprekende manier bij ze binnen in de garage. Op de balkonrand van die grote villa zaten we met bungelende benen en keken naar onze eerste films sinds jaren.
Er werd geprojecteerd op een groot scherm dat in de tuin stond opgesteld. In die weken was het aldoor mooi weer. De film ben ik vergeten, maar niet de sfeer. Daar zaten we dan met 'onze Canadezen', veilig, vrij en gelukkig. De projector zoemde zacht, het was avond en bijna donker. In de tuin rook het naar seringen.
Als je twintig bent wijkt het grauwe, trieste verleden gauw terug en kan de toekomst er onbezorgd uitzien.























































































