Met ons drieën, studenten die in mei 1943 waren ingerekend in Amsterdam om tewerkgesteld te worden in Duitsland.
Het was begin april 1945 en we waren ’s ochtends vroeg door een boer over de Weser geroeid omdat de brug bij Nienburg werd bewaakt door soldaten. Hij had ons ook nog een flink stuk brood meegegeven voor onderweg.
We schoten niet erg op, want we moesten af en toe wachten tot de weg weer vrij was van terugtrekkende Duitse troepen, die in allerlei voertuigen ons pad kruisten. Die hadden wel iets anders aan hun hoofd, maar je wist toch maar nooit; en we hadden geen papieren om onze aanwezigheid daar te verklaren. Verder moesten we voor onderdak zorgen, wat altijd lukte, zoals die ene keer bij een boer die net zoveel eieren in de pan deed als we maar lustten.
Toch werd het steeds stiller en je voelde dat er iets stond te gebeuren. Toen we door het plaatsje Sulingen kwamen heerste daar een bijna feestelijke stemming onder de buitenlandse arbeiders die zich blijkbaar al aardig tegoed hadden gedaan. Even voorbij Sulingen een grote schrik! Aan elke kant van de weg stond een zware Duitse pantserwagen met het kanon naar het westen gericht. Omdat we ook niet meer onopvallend konden omkeren liepen we maar gewoon door en gelukkig waren de bemanningen druk met iets te repareren. Ze lagen deels onder hun tanks. We keken uit naar een mogelijkheid om van die weg af te gaan, want lopen met kanonnen in je rug was doodeng. Na een paar honderd meter konden we links een veldweg op en een Franse krijgsgevangene kon ons daar vertellen hoe we verder moesten lopen.
En opeens, in een flauwe bocht, naast een boerderij, daar bewoog iets. Een rijdend dennenbos kwam onze kant op. Toen het naast ons was zagen we dat het een verkenningswagen was: een man aan het stuur en een man die door een verrekijker de omgeving opnam, en ons dus had gezien - en niet had geschoten! Hij zei niets, maar de volgende, een grote pantserwagen, stopte, de klep ging open, een officier stak zijn hoofd eruit en vroeg wat we daar deden. Na onze uitleg –wat was dat vreemd ineens in het Engels – wou hij weten of we iets hadden gezien onderweg. Nou, dat hadden we!
Ons verslag over de twee vijandige tanks die hen even verderop stonden op te wachten, met alle details daarover, had natuurlijk zijn volle aandacht! Hij haalde een microfoon naar boven en gaf alles door naar achteren. Vervolgens bedankte hij ons en sprak de voor ons onvergetelijke woorden: 'That was very useful'. Pas later realiseerden wij ons dat we op dat moment waren bevrijd.























































































