65 Jaar Bevrijding

Lettergrootte:    
Verslag van een tropenarts
15-08-1945
De kleine Japanse commandant stond om elf uur op een tafel vóór de aangetreden Hollandse en Engelse officieren, en hield een toespraak, die een tolk in het Engels vertaalde:

‘Onze zéér goede en zéér wijze Keizer kon het lijden van ons volk door de oorlog niet langer aanzien. Hij heeft, tegen het parlement in, besloten een einde te maken aan de oorlog. Zijn bevel om de wapenen neer te leggen is door het leger opgevolgd. Aldus bent u vrij te gaan waarheen u wilt. Wij verzoeken u dit aan de troepen door te geven. Leve de Keizer. Heeft iemand nog iets te vragen?’

'Ja', zei een van ons, 'heeft u misschien een paar kleine batterijtjes voor mijn radio?' Het bezit van een radio was op straffe van de doodstraf verboden! ‘Dat is onmogelijk, u kúnt geen radio hebben!’, beet de Japanse commandant hem toe. ‘Hoe hebt u onze maatregelen dan kunnen ontduiken?’ Hij zoog lucht in tussen zijn voortanden, een Japans gebaar van opperste opwinding. Maar wij lachten, want het was de vaandrig, die als spandrie (kamerbediende) bij de Japanse commandant zelf diende! ‘Vóór wij vertrokken, borg ik de radio in uw bagage’, zei hij, ‘en in het nieuwe kamp nam ik hem er weer uit.’ ‘Ik zal batterijtjes laten brengen’, zei de Japanse commandant geheel ontredderd. De feestvreugde werd nu algemeen, velen gingen de nabijgelegen stad eens bekijken. 
 
De eerste uitwerking van de vrede op ons krijgsgevangenenkamp was een complete anarchie. Ieder deed precies waar hij zin in had. De lieve meisjes van Nakompaton zeiden `Soewadije´ (goedendag) tegen onze soldaten en binnen een week had ieder zijn soewadietje. Er werd niet meer gewerkt. De schildwachten waren weggelopen. De koks kookten geen rijst meer. Vuilnis werd niet meer weggebracht, de vliegenplaag werd enorm, zodat epidemieen dreigden.

Ik klaagde hierover bij dokter Voets, de baas van het kamp. Maar die zag het niet meer zitten, hij had de moed opgegeven. `Benoem dan tenminste een ander in je plaats`, zei ik. `Als jij kans ziet daarin orde te scheppen, ga je gang maar.` `Benoem mij dan officieel tot hoofd van het kamp, in tegenwoordigheid van twee officieren van gezondheid!`

Zo geschiedde, en ik was de baas van een paar duizend rebellerende soldaten. Toen kreeg ik de schrik, hoe moest je dat aanpakken? Maar ik vertrouwde op mijn klassieke opleiding. Bevatten die verhalen uit de Griekse en Romeinse Oudheid niet de voorbeelden van wat je te doen stond in alle moeilijke omstandigheden van het leven? Met veel ijver haalde ik mij de hele gymnasiumtijd voor de geest. De Anabasis en Xenophon, De Bello Gallico van Julius Caesar, de verhalen van Vergilius, de historien van Herodotus. Zo lag ik heel die nacht te tobben. Toen wist ik plotseling wat de toekomst bood! Natuurlijk, dat verhaal van Odysseus, de tocht naar huis na afloop van de oorlog met Troje. Maar die tocht naar huis duurde tien jaren, tien jaren van onbeschrijfelijke ellende en moeilijkheden, de Odyssee van Homerus.

De volgende dag hield Kapitein Van der Eyden zijn speech. ‘Wij kunnen niet weg en wij gaan niet weg. Hier in de rotzooi? Het is inderdaad een rotzooi hier, omdat niemand zijn werk doet. Nu het kamp niet meer bewaakt wordt, komen rovers het kamp plunderen. Wij krijgen geen eten, omdat de keuken niet werkt. Het vuil wordt niet afgevoerd, dat geeft stank en vliegen, en binnen een paar weken besmettelijke ziekten, dysenterie en cholera. Terwijl wij blijven. Als wij ooit ons huis levend willen terugzien, moet er gewerkt en gehoorzaamd worden, moet de militaire tucht terugkeren. Voor het eigen levensbehoud.’  De volgende morgen half zeven zag ik, dat alle corveeërs voor de reiniging stonden aangetreden. Ik geloofde mijn ogen niet. Het klassieke patroon had tóch gewerkt.

Dit fragment is afkomstig uit 'Arts en gezin in de Oost (1928-1946)' van Ton van der Eyden, uitgegeven door Walburg Pers, Zutphen, 2006.

 
Tijdlijn
  • 1943
  • 1944
  • 1945
  • 1946
  • 1947
  • 1930 - 1939
  • 1940 - 1949
  • 1950 - 1959
  • 1990 - 1999
  •