In april 1943 werd het verboden nog naar de radio te luisteren. Je moest het apparaat inleveren en bij weigering werd je flink gestraft. Het leidde tot een grote verdwijntruc van veel toestellen: ze werden verborgen in schuurtjes of onder de grond. Velen zadelden anderen op met hun bezit. Dat overkwam ook mijn vader. Uit het Haagse Spoorwijk stroomden kennissen en onbekenden toe met de vraag of mijn vader zich over de radio's wilde ontfermen. Op een boerderij kun je immers gemakkelijker spullen verstoppen. Mijn vader liet de radio’s, van bakeliet en met gepolitoerde elementen, groot en klein, diep in de hooiberg zakken. Daar lagen ze, misschien wel twintig tot zwijgen gedoemde apparaten, te wachten op betere tijden.
Toen werd het 'Dolle Dinsdag'. Het zuiden was al bevrijd en het noorden zou spoedig volgen. Trappelend van ongeduld meldden die vijfde september 1944 de eigenaren zich bij mijn vader. Die was echter onverbiddelijk. Pas op Bevrijdingsdag zou hij hun bezit gaan opgraven. Morrend over zoveel starheid en gebrek aan moed vertrokken ze weer, maar op Bevrijdingsdag waren ze terug. Mijn vader klom de hooiberg in en sneed met een zogeheten hooisteek, een vlijmscherp mes van bijna een meter, door de lagen hooi tot hij bij de radio's was aangeland. Eén voor één kwamen ze te voorschijn, glanzend nog.
Ik stond er bij en keek er naar. Een rasechte Hagenaar inspecteerde zorgvuldig zijn toestel en ik hoorde hem zeggen:'Verdorie, er zit een kras op'. En hij liep weg zonder mijn vader ook maar aan te kijken. Het was 5 mei 1945.

























































































