Het was maart 1943. Ik was klusjesman voor ‘Trouw’, met een revolver. Opgepakt; drie weken Arnhem en op 1 april naar Vught. Met een vriend op 14 juli ontsnapt en getracht naar Engeland te varen. Motorpech en op zee opgepikt door een Duits korvet.
Toen volgden Weteringschans in Amsterdam, gevangenis in Utrecht en vanaf september 1944 concentratiekamp Amersfoort. Half april 1945 met het restant politieke gevangenen naar het Oranjehotel in Scheveningen.
Ons einde, dachten we.
5 mei: Nederland bevrijd, maar het westen nog niet.
Het werd 7 mei, Scheveningen was nog in Duitse handen, de Waalsdorpervlakte wachtte… Toen grepen de mannen van de Binnenlandse Strijdkrachten in en bevrijdden ons. Met een groentekar dwars door de linie naar het Rode Kruis. Vervolgens per vrachtauto naar Utrecht.
Hier werd ter ere van ons een stel ‘moffenmeiden’ kaalgeschoren. Maar daar hadden wij geen belangstelling voor. We wilden naar huis.
Vervolgens naar Apeldoorn, waar ik een soort vrijgeleide kreeg. Wij waren immers papierloos!
Op de fiets naar Deventer. Dankzij dat papiertje kon ik bewijzen nog in leven te zijn, daar men thuis van het tegendeel overtuigd was. Ik mocht de IJssel over en aan mijn nieuwe leven beginnen. Met de verklaring als het meest kostbare en dierbare bezit.


























































































