Eskaders met honderden vliegtuigen trokken al maandenlang hoog over, op weg naar het Roergebied of nog dieper Duitsland in. Het vestingstadje Grave met de Negen Bogen Brug was het laatste ijkpunt voordat de bommenlast uit de luiken omlaag suisde. Maar op deze zondagmorgen in september heerste er rust in het luchtruim. Ook in de straten van de Graaf, zoals het stadje aan de Maas in de volksmond genoemd werd, was het stil.
In de vroegmis had het felle pastoordekentje, gestoken in het liturgische groen van de tijd tussen Pinksteren en Advent, zijn vroege schapen toegesproken. Ook de bakker op zijn tegel naast de hoofdingang van de Elisabethskerk liet de woordenstroom over zich heen vloeien. In de ouderslaapkamer van zijn bescheiden brood- beschuit- en banketbakkerij lag zijn vrouw te wachten op de komst van weer een kind.
Aan de muur hing een schilderij, waarop in een verwoest landschap uit de Eerste Wereldoorlog een paard eenzaam graasde naast zijn voor het vaderland gevallen berijder. Plotseling verschenen er vliegtuigen in de streep hemel boven de spitse daken aan de overkant van de straat. Ze vlogen angstaanjagend laag en trokken hoekige zweefvliegtuigen achter zich aan.
Wij kinderen vlogen de deur uit en holden naar de Maas. Daar bij de muur klommen we op de lopen van L’inriguant en Le Partisan, oude Franse kanonnen. Voor de ogen van het toegestroomde volk speelde zich aan de overkant van de rivier een wonderlijk schouwspel af. Witte parachutes ontplooiden zich in een wolk van zwarte puntjes, die door een zwerm vliegtuigen uitgestoten werd. De Amerikaanse 101ste Airborne-divisie landde geruisloos in het Gelderse gras. Zweefkisten werden losgekoppeld en hobbelden na hun landing onbeholpen rond het oude veerhuis. Uit hun rompen werden jeeps en motoren met zwaardere wapens weggereden in de richting van de smalle weg, die van het veerhuis naar de Negen Bogen Brug leidde. Duitse soldaten waren nergens te bekennen, een lege kazerne wachtte al dagen op aflossing.
In de kazematten bij de brug lagen Rijksduitsers, die gedwongen in de weermacht van de Führer waren opgenomen maar geen zin hadden in tegenstand. Daarom duurde het niet lang, voordat de bevrijders in hun wendbare voertuigen de straten van het stadje binnenreden, waaruit we in de meidagen van 1940 in een bakkersbakfiets, gevuld met kinderen en snoep, voor een tijdje hadden moeten vluchten.
De grote mensen kregen hun eerste sigaretten. Wij, de jongens van de fraters en de meisjes van de nonnen, werden getrakteerd op kauwgom en snoepgoed. Allen lieten zich het witte brood en de ‘kornetbief’ (corned beef) goed smaken. Tot in het holst van de nacht werd op de markt tussen raadhuis en grote Kerk feest gevierd.
Ook voor kinderen was er die dag geen bedtijd. Twee dagen later werd een broertje geboren. Onze ouders hadden hem ter ere van de bevrijders Tommy willen noemen. Maar het kerkelijk gezag rekende die naam niet tot het domein van de heiligen. Daarom werd het Bernard Henk, naar een deftige drogist uit de buurt, die een arme bakker met een groot gezin wel wilde sponsoren. Jaren later is deze B.H. zich toch Tom gaan noemen!























































































