Een voorbeeld van zo’n burgerbrief is die van mevrouw St. Nicolaas uit Den Haag, geschreven een week na de bevrijdingsdagen. De brief kan worden beschouwd als een symbool van de oorlogsschade die Nederland heeft geleden tijdens de Tweede Wereldoorlog.
Op 13 mei 1945, ruim een week nadat heel Nederland is bevrijd van de Duitsers, schrijft mevrouw St. Nicolaas de brief met daarin dankbetuigingen en een aantal verzoeken. In eerste instantie bedankt zij de premier voor de bevrijding. Aan het eind van de brief bedankt zij hem voor de lekkernijen die zij bij de winkel van het Rode Kruis heeft kunnen verkrijgen
Naarmate de oorlogsjaren vorderden nam het aantal plunderingen door Duitsers toe. Geen enkel bezit blijft ongemoeid. Fabrieksinventarissen, auto’s, voedselvoorraden en kunstschatten verdwenen over de grens. De gestolen fiets, het nationale vervoersmiddel, was (en is) een symbool geworden voor het stelen van huisraad door de Duitsers tijdens de oorlog.
Ook mevrouw St. Nicolaas kampt na de Bevrijding met dit probleem. De ‘stalen rossen’ van haar en haar man zijn door de vijand gestolen. Met een brief aan de regering probeert zij net als vele anderen iets van haar bezit terug te krijgen. ‘Niets meer over hebbende dan stuur en zadel’ wenst zij ook haar man een nieuwe fiets toe. Veel Nederlanders proberen na de oorlog de gestolen spullen terug te krijgen via de regering. Zelden heeft dit enig resultaat. Mevrouw St. Nicolaas staat hierin helaas niet alleen.
Maar mevrouw St. Nicolaas kent nog een veel groter en persoonlijker verlies dan dat van de fietsen. Aan het eind van de brief ontvouwt zich het eigenlijke drama, dat zij bijna terloops ter sprake brengt. Zij vraagt de Minister-president om de bevrijding van haar achttienjarige zoon Gerret. Hij is door de vijand meegenomen. Van vluchtelingen heeft mevrouw St. Nicolaas vernomen dat zij hem hadden gezien in Halle bij Thüringen in Duitsland.

























































































