De oorlog was bijna voorbij en nu zaten we er weer middenin. Toen de deur openging deden we tegelijk een stap naar voren. ‘Hij is een half uur geleden overleden. Het spijt me zo.’ De aalmoezenier had de portefeuille van papa in zijn handen. Ik zakte in elkaar. Of was het mama die zich liet vallen en mij mee naar beneden trok? Achter ons maakte iemand een geluid en ik draaide me om. Mijn broer Harry rende weg, de gang door. Toen we buitenkwamen reed hij weg op zijn te kleine fiets zonder banden.
De straten waren veranderd. Daarvoor was het hier uitgestorven, nu werd het steeds voller en voller. Mannen, vrouwen en kinderen lopen rond met vrolijke gezichten. ‘Daar komen de Engelsen! Daar zijn onze bevrijders!’, hoorde ik ze roepen. In de verte rolde de eerste tank binnen. Ik keek naar mama, haar grauwe kleur stak af tegen de kleurige brei van vrolijke mensen. Waar haalden ze al die vlaggetjes vandaan? Oranje en rood-wit-blauw, klein en groot, slingers en bloemen: Tilburg vierde feest. Maar wij niet; papa was dood.
‘Hey, darling! Do you want some chocolate?’ Een Engelse soldaat had zich losgemaakt uit een groep militairen en liep op me af met een pakketje in zijn hand. Ik wilde ons huis in vluchten maar de soldaat hield me tegen en sloeg zijn armen om me heen. In een poging om me los te wringen, sloeg ik hem bijna in zijn gezicht maar hij bleef me stevig vasthouden.
‘Hey darling, why do you look so sad?’ Terwijl hij het zei lachte hij naar zijn makkers, die verderop naar ons stonden te joelen. ‘My father died this morning’, zei ik. Ik verbaasde me dat mijn stem niet trilde. De soldaat opende zijn mond om iets te zeggen maar een van de andere soldaten die de straat was overgestoken, was hem voor. ‘Let’s make a picture with this Dutch Beauty, don’t keep her.’ ‘Her father died this morning.’ De stem van de soldaat trilde wel. De vrolijkheid van zo even leek als een dun vliesje van zijn gezicht te zijn getrokken.
Ik deed een stap naar achter, wou weg uit het middelpunt maar hij bleef mijn hand vasthouden. De soldaten riepen dat ik met hen op de foto moest. Ze liepen de tuin in van Janssens de Horion. Daar zouden ze ingekwartierd worden had ik gehoord. De soldaat nam me bij de arm. Toen we tussen de andere soldaten stonden, slaagde ik erin een glimlach op mijn gezicht te toveren. Even voelde ik me bevrijd.

























































































