65 Jaar Bevrijding

Lettergrootte:    
Ontsnapping uit Arnhem
16-09-1944 tot 17-09-1944, Arnhem
Op zaterdag 16 september 1944 stuurt een moeder haar vijftienjarige zoon Ab naar zijn tante Mien in Arnhem. Op de fiets naar de Lawick van Pabststraat, waar tante bedrijfsleidster is van een winkel in – voor zover verkrijgbaar - chocoladeproducten en fijne banketwaren. Moeder geeft hem groenten, een fles melk en een brood mee dat in hun woonplaats Lent gemakkelijker te verkrijgen is dan in Arnhem. Zoon Ab, dat ben ik.

Op zondag bezoeken tante en ik de Hoogmis. Na terugkeer is er veel activiteit van vliegtuigen en ook horen we bominslagen. In de straat wordt het ook steeds onrustiger – Duitse auto’s brengen gewonden af en aan naar het Lazaret tegenover tantes huis. Terwijl wij veilig binnen zitten, brengt tante mijn thuisrit ter sprake. Aanvankelijk voel ik daar niet zo veel voor. Maar later in de middag dringt zij aan en staat ze er op dat ik huiswaarts ga. De bezorgdheid van mijn moeder en de last van een logé spelen haar parten.

Tussen vier en vijf uur fiets ik met een onbestemd gevoel richting de Zijpse Poort. Niemand is op straat. In de stad hangt een onheilspellende sfeer. Gebouwen staan in brand, waaronder hotel-restaurant Royal. Er is geen brandweer om te blussen.

Op weg naar de Rijnbrug moet ik enkele malen mijn fiets op de schouders nemen vanwege het glas op straat. Ik heb één luchtband aan de voorband zit een ‘stukaband’: een stuk rubberslang dat om de velg gespannen is met aan elkaar vastgemaakte uiteinden. Dit soort voorband kreeg zijn naam door het geluid van die voorband en verwijst naar de ronkende Duitse bommenwerper.

De eerste mensen die ik tegenkom op mijn rit zijn de Duitsers. Bij de Rijnbrug zijn zij zo drukdoende om aan de noordoostzijde bij de oprit geschut in stelling te brengen dat ze mij gelukkig niet opmerken.

Snel rijd ik verder naar Elst. Ter hoogte van de weegbrug word ik staande gehouden door een NSKK- man, een burgerchauffeur in dienst van de Wehrmacht zogezegd. Hij vraagt mijn persoonsbewijs te tonen en naar de bestemming van mijn tocht. Na met enige toelichting zijn aarzeling te hebben overwonnen mag ik verder rijden.

Pas op de grens van Oosterhout en Lent ontwaar ik de eerste burger, een dorpsgenoot die voor mij uit rijdt in de richting van de kom van Lent. Mijn angsten zijn verdwenen ook al kom ik verder geen mensen onderweg meer tegen.

Thuis staat mijn moeder me op te wachten. Zij is nooit ongerust, maar dit keer wel. Ook in Lent is het onrustig geweest. De ‘Flak’, een Duits afweergeschut, is net als de Thermionfabriek gebombardeerd. Deze ligt slechts een paar honderd meter van thuis vandaan.

De volgende dag worden wij al vroeg door een Duitse divisiecommandant – die onderkomen nodig heeft voor zijn SS-divisie - uit ons huis verjaagd. We evacueren naar Ressen, een dorpje bij Bemmel.

Ik dank de Heer voor mijn behouden thuiskomst. Temeer ik mijn moeder anders niet meer zou hebben gezien. Op 31 oktober 1944 is zij overleden. Als ik in Arnhem was gebleven, had ik moeten evacueren naar noordelijker streken en de Hongerwinter hebben moeten ondergaan.

 
Tijdlijn
  • 1940
  • 1943
  • 1944
  • 1945
  • 1946
  • 1930 - 1939
  • 1940 - 1949
  • 1950 - 1959
  • 1990 - 1999
  •