Vier jaar later scheidde ze van de man wiens naam ik draag en zij stuurde mij naar haar zuster Rosa in Oostenrijk. Tante Rosa was getrouwd met Onkel Seppl. Ze woonden in een boerderij in de buurt van Lunz am See en fokten varkens. Ze hadden zeven Pools krijgsgevangenen in dienst, die hetzelfde te vreten kregen als hun zwijnen.
De handjes van oom Sep zaten behoorlijk los. Toen de Russische bevrijders kwamen, werd hij door zijn Polen doodgeslagen. Tante Rosa benam zich van het leven, nadat ze door Polen en Russen was verkracht. Omdat er niemand was om voor mij te zorgen en ik een Nederlands paspoort had, werd ik met een ‘Rode Kruistrein’ naar Amsterdam gestuurd. De trein zat vol voormalige krijgsgevangenen en terugkerende dwangarbeiders.
De reis ging via Zwitserland, Frankrijk, België en duurde vele dagen. Een fijne tijd, op ieder station kregen we van het Rode Kruis warme maaltijden. En chocolade. Veel chocolade. Ik sliep in het bagagenet.
In Amsterdam zat mijn moesje al zeven maanden in de koepelgevangenis aan de Amstelveenseweg. Toen de vrede losbrak was ze door vaderlandslievende Mokumers aan een lantaarnpaal gebonden en kaalgeschoren. Van 1941 tot 1`943 had ze als kokkin gewerkt in ziekenhuis ‘Lichtenberg’, een Wehrmachtlazaret in Amersfoort.
Hoe zij de laatste twee oorlogsjaren is doorgekomen, heeft ze mij nooit verteld. We woonden in Amsterdam-Oost. Daar begon voor mij de oorlog: die op het schoolplein.
Tijdens het speelkwartier werd jacht gemaakt op het Duitssprekende moffenjong. Voor alles hebben ze mij bestraft, voor de Grebbenberg, de tulpenbol, de suikerbiet, fietsbanden van hout, het bombardement op Rotterdam. Geslagen hebben ze mij niet. Ze waren tevreden als ik op mijn knieën zat en zei:’iek bin een rotmof’.
Een traumatische jeugdervaring? Welnee! Het ‘post-kinderen-van-NSB-ouders-syndroom’ moest nog worden uitgevonden. Voor mijn moedertje, voor haar was het een harde tijd. Geen zichzelf respecterende burgerman had werk voor een aantrekkelijke moffenhoer. Dus peesde ze in de Stoofsteeg, tot ze van een gebochelde bouwondernemer een baan als ‘kokkin’ kreeg.
Uiteindelijk is het voor Mutti toch nog goedgekozen. Na veel omzwervingen kwam zij in 1949 in Zwitserland terecht, waar ze kennis maakte met Paul Meyer (1899), een welgestelde textielbaron van joodse origine. Nadat ze hem 15 jaar als ‘huishoudster’ had gediend – en hij prostaatproblemen kreeg – vroeg hij haar ten huwelijk. In 1984 maakte ze een eind aan haar leven.























































































