65 Jaar Bevrijding

Lettergrootte:    
Moeder
06-04-1945 tot 07-1945, Amsterdam
Haar wang tegen het glas, hoofd schuin en onbeweeglijk naar links gericht. Want daar, van die kant, zou Bernard terugkomen. Vanaf het Centraal Station met lijn 1 tot aan het Hoofddorpplein en dan hier de hoek om – zó zou het gaan.

Elke dag, van 6 mei tot ergens in juli 1945 zat moeder tot het donker werd, voor het raam. Onbeweeglijk, zwijgend, hoopvol. Soms maakte ze voor ons iets te eten, zwijgend. En snel was ze weer terug aan het raam.

Mijn broer Bernard was op een avond in juni 1941 van de straat opgepakt, samen met verscheidene anderen als represaille voor een aanslag op een Duitse villa. Eerst verbleven Bernard en de andere slachtoffers nog in Schoorl, wachtend op transport. Vanuit dat kamp ontvingen we van hem een gesmokkeld  briefje, op WC-papier geschreven. Het ging hem goed, schreef hij. ‘De Duitsers schreeuwen wel maar slaan absoluut niet.’

Zes weken later kregen we zijn doodsbericht: op 23 augustus was hij in kamp Konzentrationslager Mauthausen (bij Linz) overleden aan de gevolgen van griep. Een gezonde jongen van negentien jaar. Het kón niet waar zijn, dachten we.
 
Een poos daarna vertelde een kennis gehoord te hebben dat de groep gevangenen ontsnapt was en veilig Zwitserland had bereikt. Het gerucht ‘was beslist waar’. Mijn vader keek in zijn atlas, vond Linz, en zweeg.

Maar moeder geloofde het. Zij geloofde en hoopte op een wonder zoals alleen een moeder kan hopen op redding voor haar kind. Het onbegrijpelijke kon ze niet geloven, misschien ook wel vanwege dat optimistische briefje uit Schoorl. Haar gezonde sterke zoon kon niet zomaar ineens aan griep zijn gestorven. Wat zich daar in het gruwelijkste kamp in Europa aan wreedheden had afgespeeld, wisten we toen gelukkig niet. In Pressers boek ‘Ondergang’ staat de foto van de dodentrap van Mauthausen. Ik hoop dat niemand mijn moeder ooit op dat boek heeft gewezen. ‘Vanavond zijn jullie allemaal dood’, had de beul tegen de groep gevangenen gezegd. En hij hield woord volgens de Duitse kampadministratie.
 
Op de dag van de bevrijding gaf moeder alle kamers een goede beurt en posteerde zij zich voor het raam om haar kind, zodra ze hem zag, tegemoet te kunnen rennen. Bij mooi weer deed ze het raam open en leunde met twee armen op de vensterbank, haar hoofd vrijwel onbeweeglijk naar links gedraaid, een kussen tussen raamspijl en rechterschouder.

Op den duur raakte zij vermoeid. Haar anders zo mooie donkere, sterke ogen werden fletser, maar zuchten deed zij nauwelijks. Over verdriet werd gezwegen want leed is niet populair, daar praat je niet over. Lachen wel, dat doe je samen. Maar er viel niets te lachen.
 
Mijn vader zweeg en zocht ontspanning in zijn tuin. Slechts een paar keer heb ik hem horen mompelen dat hij nooit in die zogenaamde vlucht naar Zwitserland had geloofd. Maar moeder bleef voor het raam wachten en kijken.
 
Het huishouden had niet meer haar grootste aandacht. De zomer van 1945 was de mooiste zomer die je als jongen van achttien kunt bedenken. ‘Geniet ervan’, zei ze ’s avonds als ik er weer op uittrok, ‘je bent jong’.
 
Wanneer ze is gaan twijfelen weet ik niet. Misschien heeft mijn vader een heel moeilijk gesprek met haar gehad. Maar opeens zat ze niet meer voor het raam en werd het huis grondig aangepakt. Dat was nodig, zacht gezegd. Alles wat gepoetst en gesopt kon worden, werd gepoetst en gesopt.
 
Naarmate zij ouder werd vond ik haar mooier worden, fierder, ook zachter. Met mij of in mijn bijzijn heeft zij nooit over mijn broer gesproken. Tot die ene keer, vele jaren later, op een avond van de 4e mei. Pa was al overleden en zij en ik waren samen stil. Toen, voor de eerste keer, zei ze: ‘Wat hebben ze met mijn kind gedaan.’

 

 
Tijdlijn
  • 1943
  • 1944
  • 1945
  • 1946
  • 1947
  • 1930 - 1939
  • 1940 - 1949
  • 1950 - 1959
  • 1990 - 1999
  •