65 Jaar Bevrijding

Lettergrootte:    
Misselijk van oude wijn
1944 tot 1945
Iedereen zegt dat de oorlog gauw voorbij zal zijn. We hebben op een dag zelfs al wittebrood gegeten, Zweeds wittebrood. Het leek wel een taartje, met boter en suiker erop. Maar nog steeds is het oorlog en we eten weer van de gaarkeuken.

Maar dan, ineens, is het zover. Mijn moeder hangt de vlag uit. Ze heeft hem zelf gemaakt van een oud laken en rood-wit-blauw geverfd. Mijn vader en broer gaan kijken bij de Maasbruggen. Naar de Duitse soldaten die nu weer naar hun eigen land terugggaan. Ik mag niet mee, want mijn moeder gelooft niet dat de oorlog voorbij is. Ze is bang dat de soldaten weer gaan schieten. Pas als mijn vader en broer weer thuis zijn en vertellen dat de soldaten echt zijn weggegaan, zegt ze: ‘Omdat het vrede is, gaan we wijn drinken’. We kijken haar verbaasd aan. ‘Ja, die wijn heb ik de hele oorlog bewaard voor déze dag’, zegt ze lachend. Ze trekt het kelderluik open en kruipt door het gat. Even later komt ze naar boven met een fles wijn.

Ik heb nog nooit wijn geproefd. We staan in een kring (ook mijn tante en zus zijn erbij) met een glas in onze hand. Mijn vader schenkt de wijn voorzichtig in elk glas. Ik krijg niet zoveel, want mijn tante wil haar glas helemaal vol. ‘De oorlog is voorbij, we drinken op de vrede’, zegt mijn vader. ‘Op de vrede!’ roepen we. Ik neem een grote slok want het ziet er lekker uit. Maar het smaakt scherp en zuur en mijn vader roept: ‘Je kan wel proeven dat die wijn van voor de oorlog is, hij is bedorven’. Vlug zet ik mijn glas neer, ik word misselijk. Ik kan het niet meer binnenhouden en spuug alles eruit, zomaar op het vloerkleed. Ik huil en snik. Moeder trekt me naar de keuken en gaat me wassen. Ik blijf maar huilen, moeder aait me over mijn hoofd en zegt: ‘Je kon het toch niet helpen’. Ze trekt me mijn pyjama aan en duwt me naar binnen. Mijn tante ligt op haar knieën en boent het vloerkleed schoon. Mijn vader zet alle ramen open.

Dan horen we buiten mensen zingen en schreeuwen. Even later is iedereen verdwenen, alleen mijn moeder is er nog. Ze trekt me op haar schoot en samen kijken we naar buiten. Het lijkt wel of alle mensen op straat zijn, zo druk is het. Het is bijna donker en aan het eind van de straat zien we een groot vuur. De mensen slepen rollen papier, die ze op het vuur gooien. De vonken spatten in het rond en hoog boven de mensen uit. Mijn moeder zegt: ‘De mensen verbranden hun verduisteringspapier, zó blij zijn ze dat de oorlog voorbij is. Nu hoeft dat zwarte papier niet meer voor de ramen’.

Dan moet ik gaan slapen en moeder draagt me als een kleine baby naar bed. Ik hoor nog steeds het lawaai van de mensen en het vuur en stop mijn hoofd onder mijn kussen. Eindelijk val ik in slaap.

De volgende dag zie ik dat m’n moeder de duivenbonensoep (vieze, paarse soep) van de gaarkeuken weg gooit, in het putje buiten. Eerst begrijp ik er niets van, je gooit toch niet zomaar eten weg. Maar dan weet ik het weer; de oorlog is nu echt voorbij.

 
Tijdlijn
  • 1940
  • 1943
  • 1944
  • 1945
  • 1946
  • 1930 - 1939
  • 1940 - 1949
  • 1950 - 1959
  • 1990 - 1999
  •