Het water liep al in mijn mond, honger had je altijd. En vooral na de wandeling twee keer per dag naar kantoor, van de Rivierenbuurt naar de Raadhuisstraat. Het wachten was alleen nog op mijn oudste zus Bep. Ze was wat aan de late kant vandaag.
Tot de bel ging en een verre kennis binnenstapte. Wat kwam die nou doen tegen etenstijd? ‘Wachten jullie op Bep?’ vroeg hij. ‘Nou, ze zal voorlopig wel niet thuiskomen, want de Duitsers hebben vandaag een inval gedaan bij S.J.P. Bakker. Ze zijn allemaal meegenomen; S.J.P., twee zetters, twee drukkers, de expeditieknecht, de boekhouder en jullie Bep van kantoor. S.J.P. zelf stond juist met de kopij van Trouw of Vrij Nederland in zijn handen, dus er was geen ontkomen meer aan.’ Helemaal verslagen hebben we het feestmaaltje toch maar opgegeten – het was tenslotte Hongerwinter – maar het smaakte niet meer.
Steeds als ik de volgende dagen thuis kwam, zag ik mijn vader en moeder naast de kachel zitten, vol verdriet en angst om hun dochter. Mijn vader was nog met een verschoning voor haar naar de Weteringschans gegaan maar daar door een Duitser weggebulderd. Ik had zo met hem te doen!
Een paar dagen later, op een zondag, liep ik met een vriendje in de Tweede van der Helststraat langs de gaarkeuken, waar juist een lange rij op hun eten stond te wachten. Ineens hoorden we een bekend fluitje, hetzelfde dat Bep altijd floot als ze thuis kwam. ‘Ik hoor een bekend fluitje’, zei ik en keek om. En ja hoor, daar kwam ze aan, mijn zus, samen met haar vriend. Die opluchting op dat ogenblik, dat was geweldig! Onder de ogen van al die etenshalers aan de overkant zijn we elkaar om de hals gevallen.
De weg naar huis ging in een roes. We spraken af dat ik als eerste naar binnen zou gaan, Bep zou even wachten. In de kamer zaten mijn ouders, triest en in de put, toen ik opgewekt binnen kwam en zei: ‘Moeten jullie nou eens horen, ik heb zoiets geks meegemaakt.’ Ze keken me aan met een gezicht van: jij met je verhalen altijd, terwijl je zus in de gevangenis zit en misschien wel wordt doodgeschoten. Ik ging door: ‘Daarnet ben ik iemand tegengekomen, je raadt nooit wie…’ De kamerdeur ging open en daar stond Bep! De verandering op de gezichten van mijn vader en moeder en hun blijdschap: ik zal het nooit vergeten.
S.J.P. Bakker werd op 21 februari 1945 in Zaandam gefusilleerd en samen met hem de twee zetters en twee drukkers. Dankzij zijn verklaring dat het kantoorpersoneel niets wist van de illegale activiteiten, hebben die drie mensen het overleefd. Al die jaren heeft het me verbaasd dat ik in verhalen of verslagen over het verzet, nooit iets ben tegengekomen over S.J.P. Bakker.























































































