Het begon enkele dagen voor 3 oktober toen pamfletten uit de lucht dwarrelden met een dringende oproep aan de nog weinig bewoners van Vlissingen, om meteen het centrum te verlaten. Gelukkig had ik al eerder een kar gemaakt van een grote kist met twee fietswielen die tussen droogrek balkjes draaiden. Deze werd achter de fiets vastgemaakt.
Met ons vieren fietsten we naar een boer in Serooskerke waar we ons in een lege stal met stro installeerden. De volgende dag hoorden we veel vliegtuigen overvliegen, die een rondje maakten richting de zeedijk in Westkapelle, alwaar bommen werden afgeworpen. We hoorden de dreunen.
De volgende dag hoorden we iets van de slachting die in Westkapelle had plaatsgevonden.
De verwachte stijging van het water in de sloot bleef voorlopig nog uit, maar de spanning steeg. Daarom werden onze spaarzame bezittingen op een kar geladen. We reden naar Arnemuiden, waar we in het huis van de huisarts onderdak kregen. We sliepen met zijn allen op de grote zolder. Na twee dagen begon een heftig artilleriebombardement vanaf de Sloedam en Breskens alsmede vanaf schepen voor de kust.
We gingen naar de kelder en lagen als haringen met de benen naar elkaar gericht. Tijdens een pauze liep ik met vader door het dorp en zag de verwoestingen en de dunne matrassen op straat liggen. Hieronder had men vergeefs beschutting gezocht. Er waren vele slachtoffers. In de wei lagen dode paarden en koeien en vader probeerde nog een paard te helpen met een grote wond door zijn hals. De slager verkocht dit vlees per kilo en we haalden het met een emmer op.
De beschieting begon weer en duurde in totaal vier dagen. Ons huis kreeg een voltreffer en het puin rode de kelder trap af. Paniek alom. Een Duitse kwam officier met getrokken revolver kwam de trap af en beval ons de kelder te verlaten. Mijn vader, niet bang uitgevallen, bracht hem in brallend Duits aan het verstand dat je zoiets van kinderen en vrouwen niet kon verwachten en blafte hem de trap weer op. Na afloop zei hij dat je ze net zo moet aanschreeuwen als dat zij dat tegen ons doen. We hebben het dus overleefd.
Na vier dagen kropen we uit de schuilplaats en zagen vreemde voertuigen op de dijk. We hoorden ook doedelzak muziek en kregen even later chocolade, biscuits en sigaretten uit glimmende vierkante blikken met een rond deksel.
We gingen weer verder naar een andere arts even buiten Middelburg. Deze stad was de beschieting redelijk goed door gekomen, maar in Vlissingen was geen huis onbeschadigd. Ook ons huis achter de boulevard en hotel Brittannia had een voltreffer gekregen.
De kamer van mijn zus was helemaal weg en beneden was overal een dikke laag modder van de tweemaal dagelijkse vloedgolf. Dan liep het met een aardig vaartje over de straten de stad in. De Badhuisstraat liep vol tot halverwege. Hier was een simpele dijk om het centrum gelegd. We betrokken in november alhier een bovenverdieping.
Zo werd het 5 mei 1945 en werd er groots de bevrijding gevierd. De meeste gevluchte bewoners waren weer teruggekeerd naar wat er van hun huizen nog resteerde. Het heette dat die feestdag alles mocht en ook gebeurde. Ik moest echter naar bed en luisterde naar het kabaal buiten. Zo verliep mijn bevrijding.























































































