De alarmklok galmde over de Zenderense Esch en werd ook in Saasveld gehoord. Een grootscheepse inzameling resulteerde in een vrachtwagen proviand. Met de zegen van pastoor Knippers vertrokken Hendrik Roetgerink (mijn vader) en de oude boer Weersink richting Zenderen. Het was bitter koud en het sneeuwde.
Aan de kloosterpoort kregen de 'Soaselers' te horen, dat ze de milde gaven maar op moesten stapelen tegen de slotmuur. Weersink, koud tot op het bot, werd witheet en riep: 'De poort los, aans, nemme wie'j kroam wear met noar Soasel.'
Even bleef het doodstil. In het klooster klonk alarmerend belgelui; vreemdelingen binnen het slot, de zusters trokken zich terug in de Refter. Langzaam knarste de poort open. Geschrokken maar dankbaar beloofde moeder Overste aan de eeuwige vrijgezel Roetgerink te zullen bidden voor een geschikte vrouw en aan Weersink gebed om voorspraak dat een van zijn dochters geroepen mocht worden tot het kloosterleven.
En zie wat er gebeurde: op dezelfde dag in mei 1958, dat Hendrik Roetgerink trouwde met Riek Schabbink (mijn moeder) werd zuster Weersink ingekleed als novice van de Zenderse Carmel. Beide bruiden hebben elkaar die dag ontmoet in het klooster.
Bovenstaand verhaal heb ik na het overlijden van mijn ouders 'ontdekt' in Vespertied (4) van Herman Haverkate.






















































































