Henkie Brons en zijn ouders, evacués uit Huissen, moeten het doen met de logeerkamer. Hun dochter Annie is een paar dagen geleden met een koetsje vervoerd naar het ziekenhuis. Koos en Marie uit Walcheren leiden ’s avonds een teruggetrokken bestaan op de zolderkamer. Ook mijn ouders hoor ik niet.
Ik denk aan de vlag, die al een paar dagen in de zitkamer klaar ligt. Ik vind dat wel eng met al die Duitsers in huis. Ook vind ik het heel jammer dat hij zo verschrikkelijk groot is dat hij vast niet kan wapperen. Bijna ben ik in slaap gevallen als ik opeens overal deuren hoor opengaan en opgewonden stemmen. Wat is er aan de hand?
Ik sluip naar beneden en begrijp dat de oorlog afgelopen is. Er wordt gelachen, er wordt gehuild en niemand stuurt mij terug naar bed. Tot mijn teleurstelling mag de vlag nog niet uitgestoken worden. Wel staat de wereld op zijn kop. Enkele ingekwartierde soldaten ijsberen voor de deur van de woonkamer. Later hoor ik, dat ze proberen met hulp van mijn ouders onder te duiken, te vergeefs.
Inmiddels is het voor ons kinderen heel spannend. De Duitsers zijn in de achtertuin hun laatste munitie aan het afschieten. Eindelijk, zondagochtend rond tien uur komen er mensen langs die schreeuwen dat de vlag mag worden uitgestoken. We rennen allemaal naar de achtertuin om te zien of er een vlag van de kerktoren hangt, en ja hoor, het is zo ver.
Dan komt er opeens een heel plechtig moment. Iedereen verzamelt zich rond de vlaggenstok in de voortuin. De twaalf Duitse soldaten staan wat verderop. Mijn broertje mag de vlag hijsen. Tot ons afgrijzen breekt het touw en valt de vlag op de grond. Met veel gehannes lukt het toch de vlag omhoog te krijgen. Al die tijd blijven de Duitsers staan zonder een spier te vertrekken. En die grote vlag blijkt gelukkig toch te kunnen wapperen. Nu zie ik dus voor het eerst een wapperende vlag! Pas jaren later zal het tot mij doordringen dat er ook ìn de oorlog gevlagd is, maar die vlaggen zag je eenvoudig niet.
De volgende dagen daveren de Canadezen in hun voertuigen over de rijksweg richting Amsterdam tussen twee hagen van mensen die hen luid toejuichen. Het is één groot feest. Er lijkt geen einde aan te komen. De tweede of derde dag moeten de Duitse soldaten zich kennelijk melden. Het wordt langzaam stil, doodstil. Lopend tussen de voertuigen van onze bevrijders worden zij afgevoerd.
Ik zal nooit het beeld vergeten van die verslagen mannen, die met gebogen hoofd aan hun tocht beginnen. Diep medelijden is wat ik toen, net negen jaar oud, voelde. Ten onrechte?






















































































