Hoewel de oorlog dreigde met gevaren
Met stinkende leren laarzen en veel geschreeuw
Speelden wij ‘Schipper mag ik overvaren’
En vertrouwden op de Nederlandse Leeuw
In ’t brede middenpad op de Valkenboschlaan
Verwisselden we snel van boom
Wil en Riet zag je van d’een naar d’ander gaan
We waren kinderen en hadden nog een droom
Knikkeren was onze lust en leven
Adrie jij bent nu aan de beurt
Die stuiter ligt vlak bij de pot, bof jij even
Die mooie stuiter rood en geel gekleurd
Toen brak in 1944 de Hongerwinter aan
Bok, bok bok, hoeveel horens steek ik op
En hoe smaakt ook weer een banaan
We aten tulpenbollen in de knop
We droomden van chocoladerepen en katjesdrop
Er was slechts de gaarkeuken met zijn diepe gamellen
Die likten wij kinderen uit, staande op ons kop
Soms was er havermoutpap met dikke vellen
Claartje, Jopie, Cylia, Nel, Bea en Sjaan
Werden naar het platteland gestuurd
Daar kregen ze beter te eten voortaan
Die tijd heeft tot mei 1945 geduurd
Alleen heimwee begon aan ons kinderen te knagen
Daar konden de pleegouders niets aan doen
We begonnen naar moeder te vragen
En misten bij ’t naar bed gaan haar zoen
Na 5 jaren wapperde overal de Nederlandse driekleur
Weg met de zorgen en weg met ’t verdriet
Aan de slag en verder geen gezeur
We komen er wel ook al zijn we er niet
We kwamen weer terug op onze vertrouwde Valkenboschlaan
Over de Laan van Meerdervoort namen de Duitsers de benen
Om met kapotte laarzen terug naar hun Heimat te gaan
En zo zijn ze uit het Haagse straatbeeld verdwenen.
We waren dus eindelijk bevrijd
Maar we hadden veel te veel gezien
Wij waren eigenlijk te oud voor onze tijd
En toch ook nog kinderen van 8, 9 en 10
Vaders en ooms waren in de oorlog gebleven
Vele gezinnen vielen uiteen
Voor ons lieten de Canadezen hun leven
Hun vrouwen bleven alleen
We mochten nog niet naar de zee en het strand
De Duitsers moesten eerst hun mijnen opruimen
Daarvoor lagen er nog veel te veel in het land
Het was nog levensgevaarlijk in onze duinen
We waren de naoorlogse jeugd
Die Nederland weer op moest bouwen
We waren er trots op en staken vol vreugd
De handen uit onze armoedige mouwen
Uit de lucht viel honing met wittebrood
Dat kwam helemaal uit Zweden
Zweden en Canada onze redders in nood
De oorlog behoorde voorgoed tot het verleden.


























































































