Het hele huis was met een solide betonnen kelder onderbouwd, vandaar dat het huis zowel voor als achter buiten trappen had. Voor een betonnen trap, aan de achterkant een houten trapje van zo'n vijf treden. De keuken keek uit op onze achtertuin, een brandgangetje en de tuin van de overburen.
Op een avond staan mijn moeder en ik in de keuken; moeder wast af, ik droog af. Plotseling komt er een man onze tuin binnengelopen. Gekleed in een vale regenjas, een alpinopet op. De man loopt het trapje op, opent de deur, loopt achter mij en mijn moeder langs en verdwijnt door de keukendeur de gang in. Hij sluit de deur achter zich.
Ik stond stijf van de angst, mijn moeder had zich naar mij omgedraaid, haar lippen stijf dicht geknepen. Ze ging verder met haar afwas. 'Wat komt die man hier doen,' vroeg ik. 'Niks mee te maken en je mond houden,' zei ze. Later moet de man in omgekeerde richting het huis verlaten hebben.
De spoorwegstaking was aan de gang, gezinnen zaten zonder inkomen en vaak ook nog zonder vader of andere kostwinners. Een organisatie zorgde ervoor dat de gezinnen van het strikt noodzakelijkste werden voorzien. Daar was wel een administratie voor nodig. Het schijnt dat die papieren in een wasmand zaten; dezelfde wasmand waar later bij ons thuis Sinterklaas zijn cadeautjes indeed.
De geheimzinnige man die de administratie bijhield zou Age Scheffer geweest zijn. Hij kwam en ging; sprak met niemand.
Wie er precies wat verraden heeft weet ik niet, maar op een dag werden mijn ouders gewaarschuwd dat de Hollandse SD naar ons adres op zoek was. Pijlsnel is de wasmand achterom bij de buren in de wieg gezet. Later, ver na het bezoek van de SD, de Landmacht en nog wat ander gespuis, is de wasmand weer teruggekomen.
Ze hebben niets gevonden. Pas na de oorlog heb ik dit verhaal compleet gehoord. Mijn ouders, de buren en alle andere volwassenen uit die tijd leven niet meer.






















































































