We renden naar boven. Van achtertuin naar achtertuin slopen de bevrijders in camouflagepak, met takken op de helm, stengun in de aanslag. Ze gebaarden dat we snel weer naar binnen moesten. Zes maanden lang zijn we nog vaak naar de kelder gevlucht. Het front lag op granaatafstand en er stopte wel eens een V1. Line crossers vertelden over de toestand in het nog bezette westen. We konden niets doen om te helpen. Voor een bevrijdingsfeest was de tijd nog niet gekomen.
In Breda was een Rode Kruis Hulpkorps opgericht. Vrijwilligers werden opgeleid om direct na de bevrijding van het westen te worden uitgezonden. Ik werd lid van een sociale verbindingsgroep. Onze opdracht was zo snel mogelijk aan Breda te berichten waaraan de meeste behoefte bestond in het ons toegewezen gebied, om vervolgens de plaatselijke instellingen de weg te wijzen naar hulporganisaties in het zuiden. Binnen zes weken moesten we terug zijn. We konden eindelijk iets doen.
Op de plaats van bestemming moesten we ons melden bij de Engelse Town Major, want van een Nederlands bestuur was begin mei nog geen sprake. Onderdak moesten we zelf zien te regelen, maar we mochten mee-eten in de Engelse mess. Er waren tenslotte drie jonge vrouwen in ons team. Dat was niet alleen gezellig, maar je kon ze ook inzetten voor ongewone klussen.
Zo werd ik op een dag met een collega naar een huis gestuurd, waar drie kinderen alleen waren. De oudste was Fritsje, zes jaar. Vader vocht aan het Oostfront en moeder was opgepakt. In vijf jaar Duitse bezetting was ik behoorlijk fel en onverzoenlijk geworden. En nu werd ik geconfronteerd met een fout gezin!
Fritsje antwoordde rustig op vragen: of er een koffer in huis was, waar de kleertjes van de kinderen waren. We brachten ze naar een kinderhuis, dat ze voorlopig wilde opnemen. Ik kon het niet over mijn hart verkrijgen meteen weg te gaan. Voor Fritsje en zijn broertje waren er matrasjes op de grond gelegd in een grote slaapzaal. Toen ik daar ’s avonds op het punt stond afscheid te nemen vroeg hij opeens naar zijn babyzusje: ‘Ik wil haar even zien’. We vonden haar in een ledikantje op de peuterslaapzaal. ‘Mag ik haar even vasthouden?’. De grote broer nam zijn zusje beschermend in zijn armen en ik keek toe, ontroerd door de warmte, het verantwoordelijkheidsgevoel en de dapperheid van dit zesjarige kereltje. Ik dacht niet meer aan goed of fout.
Een of twee weken later kwam ik op straat een groepje kinderen van het tehuis tegen. Ik herkende Fritsje en hij herkende mij. ‘Wanneer komt u weer eens bij ons?’, vroeg hij. Ach, je bent druk met andere dingen. Ik heb nog altijd het gevoel dat ik Frits in de steek heb gelaten.






















































































