Het eerste teken daarvan was dat ik in de verte op de toren van Winschoten de Nederlandse vlag zag wapperen. Ogenblikkelijk begaf ik me op weg, waarbij ik mezelf geen tijd gunde de klompen die ik aan had te verwisselen voor schoenen. De vreugde was groot. Onderweg zagen we Duitse soldaten die gevangen genomen waren en die luid en fanatiek uitgejouwd werden.
Het was natuurlijk wel een beetje raar, dat we dwars door de frontlinie naar bevrijd gebied liepen. Er is in die noordoosthoek van het land nog dagenlang strijd geleverd. Geallieerde kanonnen stonden opgesteld vlak bij ons in de wei. In die dagen gaven landverraders met behulp van een radioverbinding de plaats van dat geschut door aan de Duitse militaire leiding.
Dat gegeven heeft mij nog een zonderlinge ervaring opgeleverd. Ik sprak met enkele Poolse soldaten en nieuwsgierig als ik was, informeerde ik naar de plaatsen waar ze hun verdediging hadden opgetrokken. Het scheelde slechts een haar of ik was als verdachte van hulp aan de vijand opgepakt en verhoord. Zover kwam het gelukkig niet, omdat de Groningers uit mijn omgeving zich nadrukkelijk garant verklaarden voor mijn integriteit. Met de geallieerde militairen, Canadezen en Polen, had ik overigens een goed contact.
Na de bevrijding ben ik nog een paar weken gebleven, totdat ik met een vrachtauto kon meeliften naar mijn ouderlijk huis in het westen van het land. Na thuiskomst werd mij verteld, dat mijn drie broers hadden afgesproken bij mijn binnenkomst te reageren alsof ik niet weg was geweest. Het opmerkelijke is dat zij daartoe in het geheel niet in staat zijn geweest, integendeel.























































































