Een paar dagen eerder waren we bevrijd: 18 september 1944. Een emotionele gebeurtenis die ik nooit zal vergeten. Daags na die bevrijding hadden we in Eindhoven het derde bombardement op onze kop gehad. Doelwit van Duitse eskaders waren de konvooien van onze bevrijders, beladen met munitie en benzine, die in die nacht stonden opgesteld in de straten. De schade en de consternatie waren enorm.
In de stad heerste er na dit alles een ongeregelde toestand. Dat was voor ons jongetjes ook weer aanleiding om een beetje rond te neuzen in en buiten onze buurt, aan de rand van de binnenstad. Daarheen (Tongelresestraat 18) waren we voor de veiligheid verhuisd vanuit hartje stad (Rechtestraat 16), waar we in doodsangst hadden gezeten bij het eerste bombardement, dat van 6 december 1942 op de Philipsfabrieken. Dat veroorzaakte een helse vuurgloed tot een paar honderd meter van onze zaak, ons huis. Maar dit was al lang geleden.
Nu waren wij jongens dus al op weg naar de plek van dat rumoer. Dat kwam van de Alberdingk Thijmstraat, vlak naast het stadswandelpark. Daar stonden op de stoep voor een paar nogal aardige villa’s, en op de straat zelf, rijendik mensen te kijken, te roepen, te brullen. We vonden nota bene een plaatsje helemaal vooraan. Omdat we als kleintjes niemand het uitzicht ontnamen werd dat blijkbaar geduld.
En ja, daar kwam uit een van die huizen een vrouw, aan beide armen door onverzettelijke mannen naar buiten geduwd, de voortuin in en de straat op. Haar kleren zaten raar; die waren misschien wel gescheurd. En het haar was slordig afgeknipt. Het haatgeschreeuw van de omstanders gold die vrouw. Ze wérd gelopen, zo slap als ze was. Ze leek wel dronken, en inderdaad: ze moest overgeven daar op het wegdek. Het gescheld uit de menigte begreep ik niet, maar ongetwijfeld kwam er ‘moffenhoer’ in voor. En zo werd er nóg een, en nóg een, en misschien wel nog een paar van die vrouwen (meisjes waren dit voor mij zeker niet) uit die villa’s naar buiten gesleurd.
In een even triomfale als deerniswekkende optocht werden ze strompelend afgemarcheerd richting politiebureau Frederik van Eedenplein. Velen, met hun luidkeelse commentaar, gingen er achteraan. De overige toeschouwers achter ons gingen nu geleidelijk huns weegs, maar wij jongens stonden daar nog een poosje, beduusd. Wat was dat allemaal? We waren nu toch eindelijk bevrijd. Dat was spannend genoeg geweest, en in een feestroes hadden we het toch met ons allen op straat gevierd. Het verwoestende bombardement de dag erna hadden we immers ook weer overleefd… Nu was het tenslotte echt vrede.
En nu dan dit? Ik snapte het werkelijk niet.






















































































