Vader heeft een schuilkelder gebouwd, voor tweederde ingegraven in de tuin, muren en dak van pakken stro. Hierbij werd hij in raad en daad bijgestaan door een Duitse commandant: ‘Ich hoffe dat in Duitsland iemand mijn familie helpt’. We moeten onze ruimte al snel delen met oma, opa, drie tantes en een echtpaar met hun baby, van wie het dorp in puin is geschoten.
Op de boerderij een kilometer zuidelijk van ons, is een Canadese gevechtseenheid. Ze schieten door, over en langs ons huis naar de boerderij die een kilometer noordelijk ligt en waar vandaan de Duitsers terugschieten. In de schuilkelder, die gelukkig laag is, horen we het ratelen, knallen en ruiken we de kruitdamp. Als er een gevechtspauze is, wordt er eten uit het huis en uit de tuin gehaald. Na een tijdje is er vooral gebrek aan eten voor de twee kleintjes. Vader besluit naar de Canadese boerderij te gaan. Daar zijn koeien, dus hopelijk melk. Het is mooi weer. Hij kruipt door de sloot die nog droog is. Op de boerderij aangekomen wordt hij niet meteen geloofd. Pas na veel vragen mag hij terug, met een Canadese militair. Dan wordt het heel spannend, de hele familie op rij, gebukt en kruipend door de sloot. We bereiken de boerderij zonder schietpartij. Daar kunnen we niet blijven. We lopen verder het bevrijde gebied in, tot bij een boerderij van een familielid waar we gastvrij opgenomen worden. Ondanks de aanwezigheid van nog een paar uit hun verwoeste dorpen gevluchte families. We slapen mannetje aan mannetje in de kelder.
In de schuur van de boerderij is een keuken gemaakt voor de Canadese troepen in de omgeving. We maken kennis met chocolade, toffees en vooral cornedbeef. Blikjes cornedbeef; tot op heden mijn symbool voor de bevrijding. We hebben een fijne tijd op de boerderij. Vrij buiten spelen overal op het erf. Zonder ‘op het pad blijven’ en ‘niet in de berm’, geen mijnen. Later begrijp ik dat de zorgen van de volwassenen immens geweest zijn. Mijn zusje was ouder en bang. Ons ‘neefje’ speelde vrolijk mee. Maar op een van de eerste dagen dat we vrij waren, zei hij tegen mijn ouders: ‘Ik heet Gazan. Bakker was maar een verzonnen naam’.
Hoewel ik nog te klein was om echt bang te zijn, herinner ik me nu nog wel het intense gevoel van Vrij zijn.
























































































