Twee oude mensen werden hun huis uitgehaald door Duitse militairen – dacht ik. Vreselijk vond ik het. Natuurlijk kon ik niets doen. Ik wist dat zij een zoon hadden, die leed aan wat wij kinderen onder elkaar ‘vallende ziekte’ (epilepsie) noemden. Die zoon was er niet bij. Hij was waarschijnlijk eerder opgehaald. Later hoorde ik dat men Joodse mensen had verborgen...
En ineens was Tilburg bevrijd. Ons huis stond plots vol militairen; Canadezen of Schotten, ik weet het niet precies meer.
Mijn vader stond zich op de badkamer langdurig te scheren. Hij hield niet zo van opgewonden drukte. Ons dienstmeisje en haar collega van de buren waren plotseling verdwenen. Niemand die er om maalde.
Dit voorbeeld volgde ik. Na een tijdje lopen door de feestende stad stootte ik op iets wat op een relletje leek. Een vrij jong meisje, omringd door een hitsige menigte, werd vastgehouden door enkele mannen terwijl zij van haar haren werd ontdaan. Zij was, begreep ik, een zogenaamde ‘moffenmeid’. Een meisje dat met een Duitser had aangepapt.
Nooit heb ik iets van deze belevenissen aan anderen verteld, zelfs niet aan mijn ouders.























































































