In de dagen vlak na de bevrijding besloten mijn ouders met een bevriend echtpaar feestelijk flensjes te gaan eten. Mijn moeder was zuinig geweest en had voldoende ingrediënten zoals bloem, eieren en melk om flensjes te bakken. Helaas ontbraken de gebruikelijke jam, suiker of siroop. Daarom werden de flensjes met zout genuttigd. Dit gaf aanleiding tot een vermakelijke gedachtewisseling:
- ‘Jan, wil jij nog een flens met zout?’
- ‘Zo’n delicatesse laat ik mij niet ontgaan.’
- ‘Dat is nog wat anders dan de producten van Mina Bakgraag!’
Bijna alle ingrediënten voor het maken van de flensjes waren op de bon en het heeft enige tijd geduurd voor mijn moeder opnieuw flensjes kon bakken.
Mijn tweede herinnering luidt als volgt. Het openbaar vervoer was aan het eind van 1944 bijna overal stilgelegd. Niet alleen de Nederlandse Spoorwegen, maar ook de plaatselijke bus- en trammaatschappijen reden niet meer. Korte tijd na de bevrijding werd begonnen werd met het herstel van de plaatselijke bus- en tramlijnen. De Amerikaanse krijgsmacht stelde hiervoor troepentransportwagens beschikbaar: vrachtwagens met een huif over de laadbak, waarin een viertal banken in langsrichting waren geplaatst; de passagiers zaten hierop tegenover elkaar.
Bij iedere halte werd aan de achterzijde een trapje neergelaten, om de passagiers gelegenheid te geven de bus te beklimmen of te verlaten. Een conducteur verkocht niet alleen kaartjes, maar bediende ook het trapje. Ik herinner mij nog goed dat ik met een dergelijke bus met mijn moeder enkele malen naar de peuterschool ben gegaan. Meestal bracht mijn moeder mij echter op de fiets (met luchtbanden).























































































