‘Mijn zus Mien en ik gingen om te werken voor voedsel naar de Wieringermeer op de fiets. Met het werken probeerden wij onze familie te helpen, mijn zus als hulp in de huishouding en ik als naaister. De fietsen hadden houten banden, want gewone banden waren niet verkrijgbaar. De reis ging niet zo snel omdat wij over binnenwegen fietsten om de Duitsers te omzeilen.
In de Wieringermeerpolder woonde een gezin waar ik na het bombardement op Rotterdam zes weken geëvacueerd ben geweest. We gingen daar opnieuw heen om te werken voor voedsel omdat in Rotterdam bijna niets meer te koop was. Wij leefden vooral op suikerbieten en soep van de gaarkeuken. Mijn vader had gelukkig nog lang sterke drank gehad om te ruilen met boeren van Goeree-Overflakkee. Dan hadden we af en toe aardappels en appels.
Het was een hele reis naar de Wieringermeer. Uiteindelijk kwamen we na een paar dagen fietsen om 22.30 uur aan. De eerste mensen bij wie we aanbelden kende ik al. Zij herkenden mij gelukkig ook. Zij waren bevriend met de boer waar wij naartoe wilden. Ze ontvingen ons heel vriendelijk en gaven ons direct te eten. Ook mochten we blijven slapen.
Mijn zus is de volgende dag naar ‘onze’ boer gegaan. Ik ben vier weken bij dit gezin gebleven om kleding voor hen te maken. Ze hadden vier kinderen, dus er was veel te doen. Ook viel ik wel eens in voor het huishoudelijk werk.
We werkten voor tarwe, slaolie en boter. Zo nu en dan kwam mijn vader twintig kilo tarwe en een fles slaolie halen in een rieten koffer met een riem. Dat was best nog wel gevaarlijk, want als hij werd opgepakt zou hij de gevangenis in gaan.
In de laatste oorlogsdagen staken de Duitsers de dijken door. De Wieringermeer kwam binnen een dag onder water te staan. Om 4.30 uur zijn wij gewaarschuwd voor gevaar. Rond acht uur besloot de boer dat ook wij de polder moesten verlaten.We laadden zoveel mogelijk huisraad, beddengoed, kleding en mondvoorraad op de platte wagens en spanden die in. We liepen naar Medemblik. Halverwege liepen wij met onze enkels in het al maar stijgende water, wat een bedreigend gevoel gaf.
Uiteindelijk werden we opgevangen door een boer in Opperdoes. Drie weken zijn we daar geweest. Omdat er meer evacués waren en het lastig was de vrede te bewaren met zoveel mensen in een beperkte ruimte, besloot de boer dat iedereen die een huis had daar naar terug moest gaan. Daar had hij natuurlijk gelijk in. We gingen lopend op weg naar Alkmaar.
Daar zagen wij heel blije mensen omdat de bevrijders de stad binnentrokken. Er hingen vlaggen uit, het was één groot feest. Vermoeid en uitgeput en met de blaren op onze schouders dronken wij in een cafeetje surrogaat limonade. Een nicht van ons woonde in Alkmaar, maar we hadden geen adres en dachten daar ook niet op korte termijn aan te kunnen komen. We besloten om verder te lopen en bukten om de stok met tassen weer op te pakken toen wij iemand tegen haar man hoorden zeggen:’Joh Willem help jij die meisjes even met hun tassen’. Mijn zus keek op en zei verbaasd ‘Nicht Cor?’ Die vrouw zei ‘Och Mien’. Het bleek onze nicht te zijn.
We mochten gelijk die nacht bij haar slapen en zijn met haar man en kinderen meegegaan dwars door de feestende stad. Het eten wat we hadden werd onderling gedeeld.
De ontmoeting met nicht Cor en haar man vind ik nog steeds een wonder van God. Want hoe is het mogelijk dat er tussen al die feestende mensen zo’n ontmoeting plaatsvindt?'



























































































